Alaa Qader Ridha, overlevende van het bombardement op Hawija.

Foto David van Dam

Interview

‘Het leek net de atoombom die op Hiroshima werd gegooid’

Ooggetuigeverslag Een Irakees die het bombardement op Hawija meemaakte deed woensdag aan Kamerleden zijn relaas. Zijn vrouw raakte gewond, zijn zoon werd blind.

Het was een warme juni-avond, het gezin van Alaa Qader Ridha had net gegeten. Omdat zijn vijf kinderen geen school hadden, waren ze die avond nog laat op. Zoals bij alle eerdere bombardementen in Ridha’s nabije omgeving hoorde je de vliegtuigen hard grommen voordat je ze kon zien. En deze avond kon je ze helemaal niet zien: de elektriciteit in de wijk was uitgevallen. De lucht was pikdonker.

„Ik stuurde mijn gezin de voortuin in” vertelt Ridha, nu 37. „Daar stonden we dan. We keken omhoog, maar zagen niks.” Ineens kwam de knal. „Het leek net op die atoombom die op Hiroshima werd gegooid”, zegt hij. „Overal was stof, aarde. Iedereen viel. Later leerden we dat de bom bijna twee kilometer verderop terecht was gekomen.”

Alaa Qader Ridha praat over het bombardement op de Irakese stad Hawija, in de nacht van 2 op 3 juni 2015. De internationale coalitie tegen IS bombardeerde die nacht een munitiefabriek. Maar daar lagen veel meer explosieven dan verwacht: een hele woonwijk werd weggevaagd, zeker vierhonderd woningen werden in één klap met de grond gelijkgemaakt. Er kwamen zeker zeventig burgers om het leven. Twee Nederlandse F-16’s voerden het bombardement uit, namens de anti-IS coalitie.

Luister hier de podcast NRC Vandaag over het bombardement op Hawija

Blind aan één oog

Het is voor het eerst dat Ridha in de Tweede Kamer zijn verhaal vertelt. Hij is daar samen met zijn advocaat Liesbeth Zegveld, die namens Ridha en tientallen andere Irakezen de Nederlandse staat aansprakelijk stelt voor materiële en immateriële schade door toedoen van het bombardement. Ridha spreekt op uitnodiging van SP-Tweede Kamerlid Sadet Karabulut voor een handvol Kamerleden. Hij spreekt een beetje Nederlands, hij woont hier nu bijna vier jaar. Een tolk vertaalt zijn verhaal.

„Toen het eerste stof was neergedaald, zag ik dat mijn vrouw gewond was. Ze had glas in haar rug, vermoedelijk uit een raam”, vertelt de ranke man met zachte trekken. „Mijn zoon konden we niet meteen vinden, we vonden hem met een deur half over hem heen. Een scherp voorwerp was in zijn oog terechtgekomen. Hij is nu blind aan één oog.”

Op televisie hoorde Ridha later dat er zestig doden zouden zijn gevallen. „Maar mensen uit de wijk geloofden dat niet. Iedereen kent elkaar daar, wij denken dat er zeker 150 tot 200 mensen zijn omgekomen.” Hawija was sinds de zomer van 2014 in handen van IS. Vluchtelingen op doortocht konden het gebied niet meer uit, veel toegangswegen waren afgesloten. Velen vestigden zich tijdelijk in Hawija en de omliggende dorpen. Omdat niemand weet hoeveel dat er waren, is het precieze aantal doden door het bombardement nooit vastgesteld.

Lees ook: Hawija: vijf jaar lang een patroon van onjuist en onvolledig informeren

Foto David van Dam

IS’ers in het straatbeeld

Ridha praat licht over wat hem overkwam, ondanks de zwaarte van zijn herinneringen. Hij vertelt dat hij in Hawija eerst werkte als krantenverkoper. Later opende hij een eigen winkel met vrouwenkleding en parfum. „Ik heb mijn bestaan beetje bij beetje opgebouwd in Irak”, zegt hij. „Toen ik een stuk grond kon kopen, heb ik er een huis op gebouwd met vijf kamers, voor ieder kind een.”

Nadat IS Hawija binnentrok, veranderde alles. Het ging geleidelijk, vertelt Ridha. Eerst kwamen er regels: roken mocht niet meer, vrouwen moesten een boerka aan. IS’ers met geweren werden steeds zichtbaarder in het straatbeeld. „Parfumflesjes met een foto van een vrouw erop moest ik ineens afplakken”, zegt hij. „En na twee maanden IS moesten alle ondernemers dagelijks ineens vijfduizend Irakese dinar, ongeveer 1 euro, per dag aan belasting afdragen.”

Het leven werd moeilijk, vervelend ook. Steeds vaker hoorden Ridha en zijn gezin grommende vliegtuigen en even later een doffe knal, nadat de bommen waren afgeworpen. Na het bombardement dat zo’n groot deel van zijn stad verwoestte, trok hij naar Kirkuk, meer naar het oosten. Daar zocht het gezin medische hulp voor zijn zoon, maar goed helpen konden ze hem niet.

Rubberbootje naar Griekenland

Dat Ridha uiteindelijk in Nederland terechtkwam, is puur toeval. Het gezin wilde naar Europa, vanwege de medische mogelijkheden voor zijn zoon. Ze vlogen naar Istanbul, reisden naar de kust en betaalden smokkelaars om hen met een rubberbootje illegaal naar Griekenland te varen. Daar werd het gezin er door het Rode Kruis uitgepikt en kwamen ze in een herverdelingsprogramma terecht. In juni 2016 vlogen ze van Athene naar Amsterdam.

Nu woont Ridha met zijn vrouw en kinderen (vier meisjes en een jongen) in Zoetermeer. Hij is postbezorger. Zijn zoon is nog altijd blind aan een oog. „Ik las in oktober op Facebook dat Nederland de bommen gooide”, zegt Ridha. „Ik ben niet boos, ik neem het niet persoonlijk.” Hij hoopt nu op een schadevergoeding. „Maar wat ik echt wil, is dat mijn zoon weer zou kunnen zien. Als dat zou kunnen, hoef ik verder helemaal niets.”