Opinie

Het ‘Hello Dolly’-effect van de coronacrisis

Maarten Schinkel

Precies één voorstelling was er in maart, na de première. En toen stopte Hello Dolly! Je moet ervan houden. Maar de musical, die te boek staat als de grootste productie ooit in zijn genre in Nederland, was een wel heel schrijnend slachtoffer van de lockdown.

Of en wanneer hij wordt hervat, is onduidelijk. Dat is het lot van veel producties in de culturele sector. Agenda’s zijn al volgeboekt met volgende voorstellingen. En hoewel er voor de megaproductie Dolly misschien wel ruimte zal worden uitgehakt, gaat er elders veel, klein en groot, voorgoed verloren.

Het illustreert hoeveel er door de coronacrisis in het ongerede is geraakt. Het minst erg zijn branches met inhaalvraag. Wie die auto had willen kopen, en dat nog steeds kan, zal dat ook gaan doen. Dan is er omzet die deels verloren gaat: je gaat niet, nu de kappers weer mogen, in één week alle gemiste knipbeurten inhalen. De kledingbranche mag enerzijds rekenen op inhaalvraag, maar kan ook een deel van de inmiddels verouderde collectie weggooien. En dan zijn er dus de grote verliezers: Dolly’s, de strijkkwartetten, popconcerten en balletvoorstellingen. Maar ook de evenementen, de congressen en alle andere activiteiten die niet meer vallen in te halen. En niet te vergeten de horeca, sportscholen, yogaklassen. Noem maar op.

Grote vraag: hoe modelleer je leegte?

Economische denktanks, van het IMF en de OESO tot zakenbanken, de Europese Commissie en het Centraal Planbureau, publiceren op dit moment in haasje-over telkens nieuwe economische prognoses. Voortschrijdend inzicht. Volgende maand komt het IMF met zijn definitieve World Economic Outlook, waarvan het in april slechts een uitgeklede versie publiceerde.

Iedereen kampt met drie problemen. Het eerste is dat het voorspellen van de economie samenvalt met het voorspellen van het verloop van de pandemie. Dat laatste is vrijwel onmogelijk. Nóg een golf van wereldwijde infecties maakt een verschil van dag en nacht voor de economische scenario’s. Het tweede probleem is dat deze recessie uniek is. Een oorlog zonder schade en zonder Keynesiaanse impuls. Een langdurige natuurramp zonder opruimen en herbouwen. Vertrouwen dat slechts langzaam terugkomt. Globalisering die afneemt. Dat is lastig. En dan is er een derde probleem, dat wat suffer oogt, maar minstens zo belangrijk is: hoe meet je iets wat niet plaatsvindt?

Dinsdag kwam het Centraal Bureau voor de Statistiek met het inflatiecijfer over april: 1,2 procent tegenover 1,4 procent in maart. Wat het cijfer bijzonder maakte, was dat het CBS een zevende van de prijzen heeft moeten schatten. Sommige zaken waren er gewoon even niet: koffie op een terras, en knipbeurt bij de kapper of een pakketreis. En dan was er nog het veranderende (hamster)koopgedrag waardoor het mandje van uitgaven van de consument er opeens anders uitzag. En, hoera Europa, hier zijn al EU-richtlijnen voor gemaakt.

Mogelijk andere probleemgevallen: de loonvorming en inkomens, door alleen al de miljarden per maand naar de NOW-overbruggingsregeling. Inkomens van zelfstandige ondernemers onder de TOZO-regeling. De koopkracht zelf. De arbeidsinkomensquote. Alles wordt door de effecten van het virus verstoord.

De statistici kunnen daar prima mee overweg – statistiek is niet alleen een wetenschap maar ook een kunst. En die verstaan ze bij het CBS uitstekend. Maar het zal straks best een tijd gaan duren, en een boel reverse engineering vergen, voordat we weten wat er precies gebeurd is in de witte periode die nu, hopelijk, langzaam ten einde komt.

Maarten Schinkel schrijft over economie en financiële markten.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.