Opinie

Het basisonderwijs hanteert veel te lage doelstellingen

Onderwijsblog Het basisonderwijs maakt de ambities in taal en rekenen totaal niet waar, constateert Sezgin Cihangir na het lezen van het jaarlijkse verslag van de Onderwijsinspectie.
Foto Arie Kievit/ANP

Mijn zoon van zeven die in groep vier zit op een prachtige basisschool, mag elke dag een half uur, van half negen tot negen uur, niet meedoen aan het onderwijs. Dan zit hij samen met een paar klasgenootjes te lezen met een koptelefoon op. Terwijl de juf, zittend aan de rand van haar instructietafel, de rest van de klas voorleest uit een boek. Navraag leerde dat dit is omdat mijn zoon en zijn klasgenootjes ‘sterke lezers’ zijn terwijl de rest van de klas nog in het samenlees-stadium zit.

Op 22 april verscheen De staat van het Onderwijs, het lijvige, jaarlijkse rapport van de Onderwijsinspectie. Het is deprimerende lectuur. De inspectie haalt allerlei zorgen aan over het onderwijs, maar het slechte nieuws wordt pas duidelijk bij nauwkeurige lezing. Dat is dat de basisschool de gemiddeld of bovengemiddeld presterende leerling weinig te bieden heeft. En zelfs die aandacht voor de achterblijvers levert vrijwel niets op.

Streefniveaus

In 2008 formuleerde de overheid normen waaraan leerlingen na groep acht moeten voldoen. De aanleiding was de constatering dat het niveau van ons basisonderwijs structureel onder de maat bleef en diende te worden verhoogd. Er werd voor gekozen om voor taal en rekenen te werken met de niveaus 1F en 2F. 1F is de fundamentele norm die 85 procent van de kinderen voor taal en rekenen zou moeten halen. 2F (bij rekenen heet dit verwarrend genoeg 1S) is het streefniveau, waar aan het eind van de basisschool 65 procent van de leerlingen aan moet voldoen.

Wat betekent dat? Een leerling die taal beheerst op niveau 1F kan korte en eenvoudige teksten schrijven, spreken, lezen of ernaar luisteren. De teksten moeten dan wel over voor de leerling bekende en begrijpelijke onderwerpen gaan. Bij rekenen op niveau 1F gaat het eveneens over eenvoudige basisvaardigheden, zoals herkennen dat vijf gelijk is aan drie plus twee. Let wel: dit is dan het eindniveau na de basisschool. Een basisschoolleerling met dit niveau aan het einde van groep acht, kan niet functioneren in de hedendaagse complexe maatschappij. Dit niveau is te laag voor het dagelijks leven en te laag als startniveau voor het voortgezet onderwijs. Toch wordt zelfs dit veel te lage niveau door zes procent van de kinderen niet gehaald.

Lees ook: ‘In onderwijs mag meer ambitie zijn’

Welk niveau zou je dan wél mogen verwachten bij een kind dat de basisschool verlaat? Gelukkig heeft de overheid dat ook geformuleerd, in de omschrijving van de vaardigheden die bij het streefniveau 2F (bij rekenen 1S) horen. Een kind moet dan zelf boodschappen kunnen doen, zelf de weg kunnen vinden en zelf dingen kunnen uitrekenen. Dat klinkt in mijn oren als een redelijke ambitie. Dat zijn inderdaad ongeveer de vaardigheden die ik mijn kinderen hoop te hebben meegegeven als ze twaalf à dertien jaar oud zijn.

Wat is ervoor nodig om dat te kunnen? Ook dat formuleert de overheid. Dan kan een kind teksten lezen of beluisteren en schrijven en gesprekken voeren over onderwerpen van maatschappelijke aard. En wat betreft rekenen kan het goed omgaan met verhoudingen, kommagetallen en breuken als 3/12. Het kan bijvoorbeeld uitrekenen hoeveel je moet betalen als je dertig procent korting krijgt op een artikel dat 135 euro kost.

Als mijn drie kinderen met dat niveau op zak de basisschool verlaten, ben ik als ouder gerustgesteld. Dan weet ik dat ze in ieder geval kans maken op een vmbo-t of een havo-opleiding. Als je wenst dat je kind minimaal havo of vwo haalt, dan moet hij of zij flink meer presteren. Hoger dus dan de 2F-norm die de overheid als streefniveau heeft vastgesteld voor 65 procent van de leerlingen.

Lees ook: Kinderen in een rijke buurt kunnen vaak beter rekenen en lezen

Maar het streefniveau, zo constateert de inspectie in De Staat van het Onderwijs, wordt bij taal slechts door zestig procent van de leerlingen gehaald en bij rekenen door nog minder leerlingen, namelijk 47 procent. Anders gezegd: niet iedereen haalt het veel te lage fundamentele niveau en bij het niveau dat we ‘streefniveau’ noemen, maar dat eigenlijk het enige acceptabele startniveau is, worden de ambities niet gehaald.

Er zit in ons basisonderwijs dus eigenlijk een tweevoudig bedrog: wat startniveau zou moeten zijn, is eindniveau geworden, en wat eindniveau zou moeten zijn, is uitblinkersniveau geworden! De enige ambitie die grotendeels gerealiseerd wordt, is het eindniveau 1F waar kinderen sociaal niet goed mee kunnen functioneren en waar ze in het voortgezet onderwijs niet genoeg aan zullen hebben.

Eufemisme

Ons basisonderwijs hanteert veel te lage doelstellingen, en zelfs díe weet het niet te realiseren, twaalf jaar nadat geconstateerd werd dat het aanzienlijk beter moest. Het is een onthutsende constatering. Maar gek genoeg, en het is me een raadsel waarom, beschrijft de Onderwijsinspectie dit als volgt: „Het Nederlandse onderwijs lijkt vooral bij rekenen goed voor leerlingen die onder het gemiddelde presteren, maar daagt de gemiddelde en bovengemidddelde leerlingen te weinig uit.”

Lees ook: Hoe we kinderen weer aan het lezen krijgen

Ja, zo kun je een negatieve evaluatie ook formuleren! „Dit voetbalelftal is vooral goed in gelijk spelen en verliezen”, staat daar eigenlijk. De sterke leerling moet zichzelf maar bezig zien te houden met een boek en een koptelefoon, of loopt op de gang zijn tijd te verdoen met alternatieve bezigheden, terwijl zijn minder sterke klasgenootjes in het lokaal zitten en les krijgen, maar dan nog halen zij het vereiste niveau vaak niet.

De eufemismen en diplomatieke formuleringen kunnen niet verhullen dat ons basisonderwijs zijn eigen ambities totaal niet waar maakt. Hoewel hoogwaardig onderwijs een vitaal onderdeel van onze moderne samenleving is, vertelt de Onderwijsinspectie ons met dit rapport dat ons basisonderwijs in groten getale leerlingen aflevert die niet in staat zijn om zelfstandig boodschappen te doen of een bijsluiter te lezen. Dit is een wanprestatie van formaat, met grote maatschappelijke gevolgen.

Sezgin Cihangir is directeur Nederlands Mathematisch Instituut.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.