Hawija: vijf jaar lang een patroon van onjuist en onvolledig informeren

Luchtaanval Hawija De informatievoorziening van het kabinet aan het parlement over de zeventig burgerdoden van Hawija vertoonde veel gebreken. De informatie kwam laat, was onvolledig en soms onjuist. Donderdag debatteert de Kamer.

Foto’s David van Dam, still uit een film van het persbureau van IS/ bewerking Fotodienst NRC

Ruim vier jaar nadat gevechtsvliegtuigen een aanval hadden uitgevoerd op de Noord-Iraakse stad Hawija bevestigde minister Ank Bijleveld (Defensie, CDA) dat Nederlandse F-16’s de bommen hadden afgeworpen. En dat er daarbij tientallen burgerslachtoffers waren gevallen, zo schreef Bijleveld op 4 november vorig jaar aan de Tweede Kamer.

Het bombardement, in de nacht van 2 op 3 juni 2015, vernietigde een bommenfabriek van Islamitische Staat (IS), die grote delen van Syrië en Irak beheerste. Nederland nam van september 2014 tot en met december 2018 met vier F-16’s deel aan een internationale coalitie die IS bestreed. In de bommenfabriek, die dicht bij bewoond gebied stond, lag een grote hoeveelheid explosieven. Die ontploften door het bombardement. Deze ‘secundaire explosies’ verwoestten veel huizen in de omgeving.

Met de brief van november 2019 probeerde de minister schoon schip te maken, in de eerste plaats door de Nederlandse rol te erkennen. Tevens maakte ze aan de Tweede Kamer excuus voor het feit dat haar voorganger, Jeanine Hennis (VVD), onjuiste informatie had gestuurd over de rol van Nederland. Kort na de aanval op 2 juni zei Hennis twee keer tegen de Tweede Kamer dat er geen burgerslachtoffers waren gevallen.

Op 24 maart van dit jaar, ruim vier maanden na haar eerste mededeling over de burgerdoden, moest Bijleveld erkennen dat ze ook zelf de Kamer onjuist heeft ingelicht over het bombardement. Ze „betreurde” dat, schreef ze. Enkele weken later maakten de Verenigde Staten interne documenten openbaar met nieuwe informatie over het bombardement. Bijleveld had die niet met de Kamer gedeeld.

Veel fracties reageerden kritisch; ze stelden zo’n 160 schriftelijke vragen. Bijleveld beantwoordde die vorige week.

Komende donderdag debatteert de Tweede Kamer voor de vierde keer met Bijleveld over het bombardement op Hawija en de informatieverstrekking daarover. Het debat moet duidelijk maken hoe zwaar het parlement de onjuiste en onvolledige informatie van de minister opneemt.

Om welke informatie gaat het?


ONJUIST

1 Het aantal burgerdoden

Premier Mark Rutte en minister Bijleveld zeggen op 27 november 2019 tegen de Tweede Kamer dat de VS niet weten hoeveel burgerdoden er bij de aanval op de bommenfabriek in Hawija zijn gevallen. Dat heeft het Amerikaans opperbevel (Centcom) volgens beide bewindspersonen aan Nederland laten weten. „Centcom zegt zelf dat er op geen enkele manier is vast te stellen hoeveel burgerslachtoffers er zijn gevallen”, zei Rutte.

Direct na het Kamerdebat zegt de premier tegen BNR Nieuwsradio: „Die zeventig [burgerdoden], dat is een gerucht, waarvan Centcom zegt: Het is niet vast te stellen. Daarmee is het geen relevant getal.”

NRC en de NOS vragen hetzelfde Centcom om opheldering. Dat had eerder tegen beide media verklaard uit te gaan van zeventig burgerdoden. De VS doen dat nog steeds, antwoordt kolonel Myles Caggins. Hij mailt in december dat door de oorlogssituatie weliswaar niet ter plekke officieel kon worden vastgesteld hoeveel slachtoffers er waren gevallen, maar dat het aantal van zeventig binnen het Amerikaanse leger onomstreden was en opgenomen was in de statistieken van burgerslachtoffers.

Deze registratie was volgens Caggins en een collega, kolonel Sean Ryan, gebaseerd op verschillende bronnen: gedetailleerde luchtbeelden van de enorme schade aan tientallen woningen die al op 15 juni 2015 aan Hennis was gerapporteerd, inlichtingen van CIA-spionnen uit de stad en verklaringen van burgers en vluchtelingen ter plekke.

Bijleveld reageert gepikeerd als ze in de Kamer met de uitlatingen van Caggins wordt geconfronteerd. Dat is „een meneer die ik niet ken”, zegt ze in het derde Hawija-debat, midden december. Na aandringen van Kamerleden belooft ze opnieuw navraag te doen in de VS. Ditmaal doet ze dat bij de Amerikaanse regering.

Direct na het Kamerdebat zegt Rutte: ‘Die zeventig [burgerdoden], dat is een gerucht’

Op 28 februari schrijft onderminister James Anderson van Defensie dat de zeventig slachtoffers al „sinds april 2017” in de „coalitiestatistieken van burgerslachtoffers” zijn opgenomen. Hoewel het aantal niet officieel bevestigd kan worden, gaan de VS ervan uit dat de zeventig burgerdoden „meer waarschijnlijk dan niet” zijn gevallen na de luchtaanval op de bommenfabriek in Hawija, aldus Anderson.

Uit de Amerikaanse brief blijkt ook dat Bijleveld de Kamer op een ander punt verkeerd heeft ingelicht. Volgens haar bevatte een Amerikaans onderzoeksrapport over burgerslachtoffers geen informatie over de aanval op Hawija. Het rapport, geschreven in opdracht van het Pentagon, ging daar wel over, schreef Anderson.

Defensie laat de Amerikaanse brief bijna een maand op de plank liggen. Pas op 24 maart stuurt Bijleveld het document naar de Kamer, vergezeld van een brief waarin ze zegt te betreuren dat ze het parlement eerder foute informatie heeft gestuurd. De vertraging verklaart Bijleveld uit de tijd die nodig is voor onder meer de vertaling van de brief van Anderson en interdepartementaal overleg.

2 Veiligheid vliegers

Het kabinet zegt dat het vier jaar lang gezwegen heeft over de aanval op Hawija om de vliegers, de militaire operatie en de nationale veiligheid te beschermen. Op 27 november 2019 verwijst Rutte in de Tweede Kamer naar voorschriften om de veiligheid van de vliegers te beschermen. „Daar zijn protocollen voor”, aldus de premier.

In de stukken van diverse ministeries, die op 17 februari worden gepubliceerd, zit echter geen enkel ‘protocol’ waarop Rutte doelt. Dezelfde stukken duiden er hooguit op dat de leden van de internationale anti-IS-coalitie onderling (informele) afspraken hadden gemaakt om alle burgerdoden aan de coalitie als geheel toe te schrijven, en niet aan een specifiek land. „Afgesproken is”, mailt de hoge Nederlandse militair die gestationeerd is bij het Amerikaans opperbevel in Tampa, Florida, op 4 juni 2015, „dat zowel hier binnen Centcom als wij vanuit NL geen koppeling zullen maken tussen deze strike en NLD”.

Bijleveld bevestigt de coalitieafspraken en spreekt niet over protocollen. Het melden van betrokkenheid bij specifieke aanvallen „viel niet binnen de mogelijkheden van het opereren in de anti-ISIS coalitie”, schrijft ze in antwoord op Kamervragen. De Amerikaanse pers meldde dat de coalitieafspraken onder Europese druk waren gemaakt, mogelijk ook van Nederland. De VS waren juist gewend om burgerslachtoffers van ‘eigen’ aanvallen transparant te registreren.


NIET GEMELD

1 Aanpassing van procedure

Op 25 september 2015 besluit generaal Sean MacFarland tot aanpassing van de procedure voor luchtaanvallen op bommenfabrieken van IS in bevolkte gebieden. De nieuwe commandant van de anti-IS-coalitie keurt een aanbeveling voor de aanpassing goed na intern Amerikaans onderzoek naar de luchtaanval op Hawija. Ter voorbereiding van aanvallen op bommenfabrieken bij woongebieden moet voortaan beter worden gekeken naar het aantal en aard van de opgeslagen explosieven. Zo kan de kracht van secundaire explosies beter worden ingeschat. Het besluit van de leiding van de coalitie komt eind april aan het licht door publicatie door de NOS en NRC van de Amerikaanse interne stukken.

Het kabinet heeft het besluit nooit aan de Kamer gemeld en evenmin de interne Amerikaanse kritiek op de voorbereiding van de aanval in 2015. Minister Bijleveld schetst tegenover de Tweede Kamer juist een positief beeld van de voorbereidingen van de aanval. Ze zegt dat daarbij „geen fouten” zijn gemaakt, en dat „alle procedures correct zijn doorlopen”.

Hierbij volgt de CDA-minister de opstelling die de ambtelijke top al in 2016 had ingenomen. In dat jaar schreef de directeur Operatiën van het ministerie dat er „geen informatie is waaruit blijkt dat destijds nader onderzoek gedaan had moeten worden”. Daar dacht de leiding van de anti-IS-coalitie dus anders over.

Bijleveld kon de Kamer niet inlichten over het besluit van MacFarland, omdat de maatregel in een „hooggeclassificeerd” rapport stond, zoals de minister het stuk op 27 november in de Kamer typeerde. Na een Wob-procedure van NOS en NRC geeft de Amerikaanse krijgsmacht daarvan echter belangrijke delen vrij aan de pers. Waarom geven de VS zulke informatie wel aan de pers, maar niet aan de eigen bondgenoot, zo luidde een van de 160 schriftelijke vragen die Bijleveld moest beantwoorden. Hier kwam geen uitsluitsel over.

2 Beperkt onderzoek OM

In 2018 en 2019 meldt Bijleveld de Tweede Kamer dat het Openbaar Ministerie na „onafhankelijk” en „zorgvuldig” onderzoek de „rechtmatigheid” van de aanval op de bommenfabriek in Hawija had „vastgesteld”.

Wat de minister daarbij niet vertelt, is dat het onderzoek beperkt van opzet was en pas negen maanden na de aanval op Hawija begon. Dat valt af te leiden uit interne stukken van het OM die zijn vrijgegeven na een Wob-procedure.

Het OM-onderzoek leunt zwaar op getuigenissen van betrokken Nederlandse militairen. Verzoeken van het OM om Amerikaanse informatie zijn geweigerd. Het OM wil dat de defensietop in de toekomst aanwijzingen voor burgerdoden sneller rapporteert.

3 Red Card Holder weet weinig

Ook over het veto dat Nederland van tevoren over de aanval had kunnen uitspreken, ontbrak lange tijd informatie. De minister geeft begin november 2019 aan de Tweede Kamer een positief beeld van het functioneren van deze zogeheten Red Card Holder. Dit is een hoge militair, gestationeerd in Doha, Qatar, waar de luchtoorlog tegen IS wordt gecoördineerd. Voorafgaand aan elke aanval van Nederlandse F-16’s moet hij namens Nederland groen licht geven.

Bijleveld schrijft in antwoord op vragen van D66-Kamerlid Salima Belhaj: „Wanneer Nederland een doel kreeg toebedeeld was door de RCH vooraf zeker gesteld dat het risico op nevenschade zo klein mogelijk was, zoals vereist door het humanitair oorlogsrecht. Omdat de situatie op de grond kon veranderen, voerde de RCH voorafgaande aan de daadwerkelijke wapeninzet altijd wederom eenzelfde zorgvuldige toets uit.”

Het kabinet zwijgt over de reden dat de aanval anders uitpakte dan was ingeschat

Een half jaar later, op 7 mei, geeft Bijleveld echter een heel ander beeld van de positie van de Red Card Holder. De minister reageert op de informatie uit interne stukken van de Amerikaanse krijgsmacht die half april naar buiten komt na een Wob-procedure in de VS. De hoge militair beschikt zelf niet over de informatie die nodig is voor de „zorgvuldige toets”, blijkt uit Bijlevelds reactie. Informatie over de risico’s van de aanval, berekend door de targeting afdeling, heeft de Red Card Holder niet, omdat Nederland niet betrokken is bij dat proces. „De RCH moet uit kunnen gaan van de betrouwbaarheid van de uitkomst van de target development”, schrijft Bijleveld.

Ook waarschuwingen van CIA-spionnen in en om Hawija dat er burgerdoden zouden kunnen vallen, bereikten de Red Card Holder niet, zo bevestigt Bijleveld. Wel staat vast dat hij van tevoren wist dat uitschakeling van het doelwit in de hoogste risicocategorie viel. Dat kwam door de nabijheid van woongebieden in Hawija.

4 Hoe kon het zo misgaan?

Sinds het kabinet begin november 2019 de Nederlandse rol bij het bombardement bevestigde, heeft het de Kamer en het publiek weinig verteld over de reden dat de aanval zo anders uitpakte dan was ingeschat. Het spreekt slechts van „onvolledigheid” van de inlichtingen. De „secundaire explosies [waren] veel krachtiger dan kon worden voorzien”.

Maar wat verklaart die onvolledigheid van informatie? Was het een ongelukkige samenloop van omstandigheden, zoals in een oorlog vaker kan gebeuren? Maakte het Amerikaanse leger, dat de informatiestromen beheerste, fouten? Wat was de rol van de Koerden en Irakezen die een groot belang hadden bij de aanval op de bommenfabriek?

Ook roepen de Amerikaanse interne stukken twijfels op over de bewering van het kabinet dat de secundaire explosies krachtiger waren dan kon worden voorzien. Uit die stukken bleek juist dat een hoge militair van een betrokken afdeling vond dat er vooraf te weinig onderzoek was gedaan naar de opgeslagen bommenvoorraad.