Opinie

Niet iedereen is Dworkiniaan

Maxim Februari

De meest sympathieke uitspraak van het afgelopen weekend kwam van zanger René Froger. Hij leek iets te hebben gezegd waarmee hij het bij nader inzien zelf niet zo erg eens was. Vandaar dat hij zijn excuses aanbood voor „onhandige woordkeuzes van mijn persoon”. Boven het bericht stond in hoofdletters: „Gestructureerd praten is niet mijn sterkste kant”.

Eerlijk gezegd denk ik dat gestructureerd praten niemands sterkste kant is. Het is namelijk heel moeilijk. Ondoenlijk misschien. Een van de problemen is inderdaad dat je persoon in de weg zit en dat die persoon het ene moment iets anders zegt dan het andere. Daarmee ben je filosofisch gezien meteen in diep water. Laten we, met dank aan René Froger, eens in de discussie duiken rondom het zelf en de uitingen van het zelf.

Dan wil ik het vooral hebben over zelfbeschikking. En specifiek over de nu veelbesproken zaak van levensbeëindiging bij een patiënte met dementie. De vrouw had in januari 2015 voor een laatste maal in een schriftelijke wilsverklaring aangegeven dat ze onder bepaalde voorwaarden euthanasie wenste; in april 2016 beëindigde een verpleeghuisarts haar leven zonder daar nog met haar over te praten of haar op de hoogte te stellen. De arts deed slaapmiddel in haar koffie en diende toen een dodelijk middel toe.

Mag dat? De toetsingscommissies en medische tuchtcolleges hadden zo hun bedenkingen. In de maanden ervoor had de vrouw afwisselend gezegd wel en niet dood te willen. In de verslagen van het verpleeghuis staan de strijdige uitspraken opgetekend. „Zij wil niet dood. Dit herhaalt zij meermalen.” „Ja, als ik ziek word dan wel, maar nu nog niet hoor!” „De verzorging observeert wel 20 maal per dag dat zij boos is en alles verschrikkelijk vindt en dood wil.” Had het haar op de dag zelf niet gevraagd moeten worden?

Het Regionaal Tuchtcollege oordeelde dat „communicatie met patiënte op cognitief niveau” weliswaar niet meer mogelijk was. Toch had de arts nog wel de plicht om ten minste te proberen met de vrouw te praten. Nu hakten familie en arts de knoop door, terwijl die beslissing niet aan hen was. Het is, zei het Tuchtcollege, de patiënte die het recht heeft over haar eigen leven te beschikken. „Dit recht raakt patiënte in beginsel niet kwijt wanneer zij dement wordt.”

Voor zover ik het begrijp was het Centraal Tuchtcollege het met deze uitspraak eens. De rechtbank niet. En hier wordt het interessant. Je kunt zeggen dat de patiënte twee zelven had: het zelf van januari 2015 en het zelf van april 2016. De medisch tuchtcolleges zeggen dat het zelf van 2016 betrokken had moeten worden bij het besluit tot euthanasie. Maar de arts luisterde naar het zelf van 2015 en dat doen de strafrechters ook.

De Hoge Raad, schrijven juristen De Bontridder en Mijnssen in NRC, moest bepalen wat de doorslag geeft: „de doodswens van de patiënt, geuit toen deze nog wilsbekwaam was, of een levenswens, geuit nadat de patiënt wilsonbekwaam was geworden.” De Hoge Raad oordeelde dat de arts mocht afgaan op de doodswens uit 2015. Wat je hebt opgeschreven in heldere toestand is leidend, schrijven de juristen. „Dit is een aspect van de eerbiediging van ieders privéleven.”

Maar ja, wie heeft nu eigenlijk het recht op zelfbeschikking? En eerbiediging? Het oude zelf of het nieuwe zelf? In het Netherlands Journal of Legal Philosophy legt strafrechtjurist Klaas Rozemond uit dat de voorkeur voor het oude zelf is beïnvloed door de rechtsfilosoof Ronald Dworkin. Die acht euthanasie ook denkbaar als een demente patiënt duidelijk gelukkig is. De mens heeft volgens Dworkin namelijk ervaringsbelangen, alledaagse voorkeuren, en daarbovenop kritische belangen – een integrale visie op een goed en waardevol leven. We hebben allemaal een genotselement en een rationeel element. En het rationele element is belangrijker.

Het narratief dat je ooit hebt opgesteld van je eigen bestaan, en dat je hebt neergelegd in een wilsverklaring, overstemt daarom je beleving op een later tijdstip. Verlies aan decorum past niet bij je oude redelijke streven en daarom is de dood een geschikte oplossing. Weliswaar is het vreselijk belastend „om aan een vreedzaam met een pop spelende patiënt euthanasie te verlenen” schrijven De Bontridder en Mijnssen, maar uit mededogen met de patiënt en „respect voor diens schriftelijke wensen” kan het toch noodzakelijk blijken.

Veel mensen zijn het met dit Dworkiniaanse standpunt eens. Dat is prima. Maar, zoals Rozemond zegt, niet iedereen is Dworkiniaan. Je kunt moeilijk voor anderen beslissen dat hun existentie ondergeschikt is aan hun oude intellectuele positie. Niet iedereen vindt een coherent levensverhaal belangrijker dan het leven zelf.

Maxim Februari is jurist en schrijver, www.maximfebruari.nl.