Opinie

Holocaust kwam pas laat in beeld

Peter de Bruijn Pas in de jaren zestig wordt in films over de Tweede Wereldoorlog een onderscheid gemaakt tussen de terreur tegen de joden en de nazi-misdaden in het algemeen.

Peter de Bruijn

De filosoof Theodor Adorno benoemde maatschappelijke ‘kilte’ als een belangrijke factor die de moord op de Europese joden tijdens de Tweede Wereldoorlog mogelijk had gemaakt. Wellicht dat er daarom zo weinig aandacht was voor het leed dat de joden is aangedaan. Koningin Wilhelmina stond zeker niet alleen in haar weigering om vanuit Londen een duidelijk onderscheid te maken tussen de terreur tegen de joden en de nazi-misdaden in het algemeen.

Dat is ook in de filmgeschiedenis goed terug te zien. Misschien wel de belangrijkste filmmaker die vrijwel meteen rekenschap wilde geven van de oorlog in zijn werk was Roberto Rossellini, de vader van het neorealisme. Zijn werk zal altijd een voorname rol blijven spelen in elk overzicht van belangrijke films over de Tweede Wereldoorlog. Maar tot de geschiedenis van films over de Holocaust behoren zijn films niet.

In Germania, anno zero (1948) volgde Rossellini een 12-jarig jongetje in de ruïnes van Berlijn, dat aan het slot van de film uit wanhoop een einde aan zijn leven maakt. Die film is een diepgravende reflectie op het morele failliet van een samenleving, maar het lot van de joden wordt niet benoemd.

In Rossellini’s Stromboli, terra di Dio (1950) ontmoet Karin (Ingrid Bergman) Antonio in een vluchtelingenkamp. Omdat ze als vluchteling niet terug kan naar haar land, besluit ze met Antonio te trouwen. Ze gaat mee naar zijn eiland Stromboli. De vrouw is afkomstig uit Litouwen, dat is ingelijfd door de Sovjet-Unie. Is ze ook joods? Dat weten we niet. We weten alleen dat ze een ‘displaced person’ is; ontheemd.

Een van de eerste grote films die de blik richtte op wat zich had voltrokken in de kampen, was Alain Resnais’ klassieke documentaire Nuit et brouillard (1956). Maar zelfs in die film wordt de moord op de joden niet specifiek benoemd.

Pas in de jaren zestig begint het beeld van de Tweede Wereldoorlog te schuiven en krijgt de Holocaust een centrale plaats. Dan veranderen langzaam de films. Vooral de Amerikaanse miniserie Holocaust (1978) was invloedrijk bij een breed publiek in zowel de Verenigde Staten als Europa. Nog later kwamen grote bioscoopfilms over de Jodenvervolging, zoals Steven Spielbergs Schindler’s List (1993).

Het kan natuurlijk best dat het beeld nog een keer zal kantelen. De Britse historicus Nikolaus Wachsmann behandelt in zijn baanbrekende recente studie KL. Een geschiedenis van de naziconcentratiekampen de moord op de Europese joden vanaf 1942 nadrukkelijk tegen de achtergrond van de lange en complexe geschiedenis van de concentratiekampen.

Het kampsysteem ontstond meteen na de machtsovername van 1933 en vormde volgens Wachsmann vanaf het begin „de afspiegeling van de heftige ideologische obsessies van de nazitop”. Aanvankelijk waren de kampen vooral bedoeld voor politieke tegenstanders; communisten en sociaal-democraten. Daar kwamen joden, homoseksuelen, Jehova’s getuigen, Roma en – de meest vergeten groep – zogeheten ‘asocialen’ bij. Het beeld van de Holocaust als een catastrofe die diep verweven was met andere vormen van nazi-geweld en terreur keert zo wellicht toch langzaam weer terug.

Peter de Bruijn is filmrecensent.