Opinie

Wankelen, maar niet opgeven

Dagboek Coronavirus

Alsof het een normale zondag was, ontmoetten we Stella’s moeder, Stella’s tweelingzus Sara en haar man Andrea. Zij waren helemaal vanaf Via Trento komen lopen naar het centrum, want ze beschouwen het openbaar vervoer of taxi’s als een te groot risico.

We haalden koffie bij het afhaalpunt van Capitan Baliano op Piazza Matteotti. Staande op straat nipten we van de kartonnen bekertjes, ‘als aardbevingsslachtoffers’, zoals de moeder van Stella dat uitdrukte. Ze droeg een mosgroen zijden ensemble dat fraai kleurde bij haar masker.

Sara vertelde over het ziekenhuis. Zij is radiologe. Het ergste is voorbij. Maar er zijn nog steeds elke dag verse hopeloze gevallen. Er gaan nog steeds elke dag mensen dood. Haar collega’s zijn uitgeput. Het grootste probleem is dat er hele wachtlijsten opdoemen met vergeten en bange patiënten die dreigen te bezwijken aan ouderwetse ziekten en uitgestelde kuren en operaties. Ze proberen de traditionele zorg te hervatten op een slagveld waar de vijand nog steeds rondspookt.

Andrea, die boekhouder is, vroeg Stella of ze haar geld al had gekregen. Zij is sinds haar galerie gesloten is in cassa integrazione, zoals zovelen, wat wil zeggen dat de staat zeventig procent van haar loon zou moeten betalen. Ze heeft nog niets gezien. De aanvragen van maart moeten nog behandeld worden. Het zijn er te veel. Ze klaagt niet. Ze beseft dat zij een van de miljoenen Italianen is zonder geld.

We gingen fruit kopen voor Stella’s moeder bij Carlo en Amanda. Niet dat zij fruit nodig had, maar alle leuke winkels zijn dicht, dus er viel weinig anders te shoppen.

„Hoe het gaat? Barcollo ma non mollo”, zei Carlo. „Ik wankel maar ik geef niet op.”

„In ieder geval is het ergste voorbij”, zei ik.

„Dat denk ik niet”, zei Carlo. „Het ergste moet nog komen.”

Schrijver Ilja Leonard Pfeijffer woont in Genua. Op deze plek schrijft hij over de impact die het coronavirus heeft op het leven daar.