Reportage

‘Ouderen zielig? Ik vind het heerlijk alleen’

Hoe beïnvloedt corona levens in de L-flat in Zeist? Na vele omzwervingen is Yasho van Dijk eindelijk alleen. Met hond Triksy. Haar tenen krommen als het op tv over eenzaamheid gaat. Tekst
Yasho van Dijk zit niet meer te wachten op bezoek. „Als mensen hier komen, geen probleem, maar het hóéft van mij niet meer.”
Yasho van Dijk zit niet meer te wachten op bezoek. „Als mensen hier komen, geen probleem, maar het hóéft van mij niet meer.”

Lees de online versie van dit artikel op nrc.nl/deflat-corona

Yasho van Dijk (70) zit in de voorkamer van haar woning op één hoog, met op schoot hondje Triksy, dat ze voortdurend aait. „Ik kan goed alleen zijn, daarom erger ik me dóód aan al die tv-reclames, over eenzame ouderen in coronatijd, ohhhhh vréselijk, iedereen die maar gekke dingen bedenkt om elkaar maar te zíén! Zeventig ben ik. Ja-há! Zo vóél ik me helemaal niet. Ik heb bijna heel mijn leven op kícks geleefd!

„Op school deed ik nooit m’n best. Pas tijdens de verpleegstersopleiding ging het goed. Maar rond mijn zeventiende kwam ik een vriendin tegen en die was hippie. Dat vond ik zó interessant! Doordeweeks zat ik in het zusterhuis in Rotterdam en in het weekend gingen we naar Arnhem, naar een kraakpand met allemaal kunstenaars. Prachtig was dat. Nou, en weer twee jaar later was ik getrouwd! Zie, zo is mijn leven gegaan!

„Ik ontmoette hem bij een concert, met van die vloeistofdia’s en experimentele muziek, dat vloeide dan zo helemaal door elkaar. Ja, hij was ook een hippie, maar dan zo’n semi-intellectuele weet je wel, hij luisterde naar Zappa en jazz. Toen ik 23 was had ik twee kinderen. Twee jongens. Maar mijn huwelijk was niet makkelijk. We gingen uit elkaar toen ik eind twintig was, en de kinderen moesten bij hem – ja, met m’n zoons heb ik nog goed contact.”

„Toen kwam ik een jongen tegen en die zat bij de Bhagwan. Ik kwam in zo’n commune terecht. Heel gezellig. Ik ben ook een paar keer naar Amerika geweest, naar de ranch. Maar er bleek allerlei gedoe te zijn, corruptie noem maar op, en toen is die commune leeggestroomd. Dus stond ik op straat – 33 was ik.

„Ik ging werken als verpleegster. Maar ik had zó lang in een stramien gelopen, dat het helemaal niet goed ging met me. Ik ben in een crisisopvangcentrum terechtgekomen, helemaal uitgeput en uit balans. Nota bene mijn ex-man hielp me aan een adres in Friesland. In Tjalleberd. Een leefgemeenschap met paarden. Die mensen daar hebben me wekenlang geholpen om me op de been te brengen. Eén voor allen, allen voor één, was het. We waren met z’n eenendertigen op het laatst. Ik ben er zestien jaar gebleven.

„De oprichter was een Pool, Willy. Hij had de gave dat hij paarden kon behandelen. Hij kon gewoon voelen, dat paard heeft daar en daar last van. Steeds meer mensen brachten hun paarden. En die hebben we naar Frankrijk gebracht want daar was de wei goedkoper. Zeven van ons zijn gekozen om mee te gaan, daar zat ik bij. We moesten werken met 250 paarden, we werkten echt dag en nacht. Ik en drie anderen wilden na een jaar weg. Maar van Willy moesten we er eerst nog een jaar blijven werken.”

„Nou, en met z’n vieren kwamen we toen hier terecht, in 2000. Ik was vijftig inmiddels. Drie vrouwen en één man. Hij kende Zeist, en in de L-flat was plek. Ik had met hem een hulprelatie gehad. Zo heette dat. Ook intiem ja. Maar we spraken af met z’n vieren: we beginnen op nul. Maar de andere twee vrouwen waren verliefd op hem.

„Ohhhh, het was vreselijk verknipt allemaal. Ik kon hen op een gegeven moment niet meer om me heen verdrágen. Een van de vrouwen wilde een kindje. Zij is uiteindelijk met hem getrouwd, en ze hebben een kindje gekregen. Ja, hier in dit huis. Ik heb nog maanden op die baby gepast. Op een gegeven moment zijn zij naar Frankrijk gegaan, en die andere vrouw ging ook weg – het is hun alle vier goed gegaan, gelukkig.

„Ik ben hier in de flat gebleven. En ik was… je was zó gevórmd, dat ik nog een half jaar in dat kamertje ben blijven wonen. Dat middelste kamertje daar ja. Ik ging niet eens naar de huiskamer toe. Nee, echt niet! Ik vond dat véél te groot.

„Ik heb nog drie jaar gewerkt als verpleegster, tot ik in 2006 weer last kreeg van die overspannenheid. Daarna ben ik vijf jaar naar de dagbesteding gegaan. Elke dag. Om te schilderen. Dat was eigenlijk ook een grote familie. Ik heb nog een tijdje vrijwilligerswerk gedaan in een bejaardentehuis en toen besloot ik: ik heb nu zó veel meegemaakt, nou ga ik eens níéts meer doen.

„En vanaf dat moment ben ik thuis gaan schilderen. Alleen ja. Ik vind het een fijn huis. Ja, hahaha, eindelijk alleen. En als mensen hier komen, geen probleem, maar het hóéft voor mij niet meer. Het is goed zo, alleen. Met Triksy.

„En dáárom gaan m’n tenen weleens krommen als ik al die programma’s zie nu over corona, dat je maar mét elkaar, je moet mét elkaar… Láát mij nou maar gewoon.”