Foto Merlijn Doomernik

Interview

‘Fotografie en leven kan ik niet goed scheiden’

Wat maakt het leven de moeite waard? Fotograaf Siebe Swart (1957) brengt landschappen in beeld, maar nooit mensen. „Iemand in beeld brengen die je moet boeien, dat gaat me niet goed af.”

Ergens een strand of een wad. Hij loopt op de tast door het zeegras, met zijn zware statief. Hij moet aankomen voor het licht begint te worden. Hij kent de weg, althans hoopt dat hij de weg herkent, want hij is er eerder wezen kijken. Om te zien of het fotografisch potentie heeft. Maar hoe het zal uitpakken, weet hij pas straks, als hij zijn camera op het statief heeft geschroefd en de zon opkomt.

Siebe Swart (1957) zou chemicus worden, maar stopte na zijn kandidaatsexamen. Wat hij wel wilde, wist hij een tijdlang niet. In de Amsterdamse kraakscene ontdekte hij de fotografie. Bij een vriend thuis hadden ze een donkere kamer, een andere vriend had zelf een cameraset met verwisselbare lenzen. Zijn eerste camera kocht hij van zijn laatste baantje als werkstudent. „Ik wist meteen dat ik hier altijd naar op zoek was geweest”, zegt hij.

Hij werd toegelaten op de Rietveld Academie. Maar hij was ouder dan zijn medestudenten, omdat hij al gestudeerd had, en wilde niet schools behandeld worden. „Een meter touw fotograferen, een spreekwoord verbeelden – mijn hart lag er niet in.” Het was in de tijd dat hij een grote mond had. Toen ze hem vertelden dat hij niet naar het volgende jaar kon als hij niet beter zijn best deed, was hij zo beledigd, dat hij zelf vertrok.

Naar de Academie voor Kunst en Industrie (AKI) in Enschede. Hij bleef in Amsterdam wonen, in het kraakpand bij de Nieuwmarkt waar hij nog steeds woont, nu in een legale woongroep. Eens per week ging hij naar Enschede, met de trein. Hij leerde er werken met wat in de volksmond een platencamera heet en die fotografen een technische camera noemen. Precies en methodisch, bij het nemen van de foto en later in de doka bij het ontwikkelen en afdrukken. „Je moet zorgen dat het licht en het contrast van het onderwerp kloppen met hoe je het bedacht had toen je de foto nam. Dus dat moest je wel opgeschreven hebben.”

Hij wist intussen precies wat hij wilde: landschappen fotograferen. In de breedste zin, want de stad en alles wat hij ‘de gebouwde omgeving’ noemt – en wat is er in Nederland eigenlijk niet ‘gebouwd’? – is ook landschap. Maar als fotograaf je brood verdienen is nog weer iets anders. Na zijn afstuderen ging hij daarom afdrukken voor andere fotografen, in zijn eigen doka in het souterrain, in azijngeur van het stopbad en de schroeilucht van zijn droogapparaat.

Voor Marrie Bots project Bezwaard bestaan, over het leven van gehandicapten. De foto’s waren er al en werden gebruikt voor het boek. Swart maakte de grotere afdrukken voor haar expositie. En voor Willem Diepraam, diens foto’s uit Latijns-Amerika, voor een tentoonstelling of in een oplage voor verzamelaars.

In 1990 werd hij naar het sterfbed van Ed van der Elsken geroepen. „Hij had geen pensioen geregeld voor zijn jonge vrouw en het idee was dat ik reprints zou maken van een aantal van zijn beroemde foto’s, die kon hij dan signeren. Ik moest alles uit de kast halen om zijn ‘handschrift’, dat veel vrijer was dan het mijne, te imiteren. Mijn vaardigheid en mijn liefde voor techniek kwamen zo op een heel andere manier terug. Maar het is nooit voltooid, want hij werd te ziek.”

Foto Merlijn Doomernik
Foto Merlijn Doomernik

Schep zelf de ruimte om je hart te volgen

Uiteindelijk waren het „klussen”, zegt Siebe Swart. Als die klaar waren en er even geen betaald werk was, had hij ruimte voor eigen projecten. Zijn jongste heet Time & Tide: panoramafoto’s in zwart-wit. Langs de Oosterschelde, bijvoorbeeld, buitendijkse gebieden in Friesland, de Boschplaat op Terschelling, en de lagune in een nieuw aangelegd duingebied bij Camperduin, waar de zee bij vloed door een geul naar binnen kan stromen.

Daar hebben we afgesproken. Het waait gemeen, maar in de luwte van een duin is het goed uit te houden. Een paar kitesurfers, een rijtje windmolens aan de brede horizon. „Daar heb ik gestaan”, wijst hij. „En daar.” In 2017 en 2018 heeft hij hier een opname gemaakt, een keer als het stormt en een keer in de mist, geen horizon te zien, alleen die geul door de duinen die ginds oplost in het wit van de foto.

Ik voel me thuis in de leegte

Siebe Swart

Sporen van mensen, niet de mensen zelf. „Iemand in beeld brengen die je moet boeien, dat gaat me niet goed af. Het is deels verlegenheid, maar ik heb er ook geen oog voor. Ik kan alleen goed kijken als ik voor een foto op pad ben. De ruimte, waterlopen die samenkomen – daar heb ik oog en gevoel voor. Ik voel me thuis in de leegte. Wat ik als fotograaf voel in de ruimte wil ik vertalen, zodat anderen het ook zien en waarderen.”

Panoramafoto’s horen al langer bij Swarts ‘handschrift’. In opdracht van de gemeente Amsterdam fotografeerde hij de stad. De Dappermarkt, de Albert Cuyp. Dan zette hij zijn camera neer in het donker en maakte vanuit datzelfde standpunt vijf, zes foto’s terwijl de zon opkwam. Uit die verschillende opnames monteerde hij dan één beeld: een deel nog donker, een ander al verlicht, verschillende momenten in één foto, maar je ziet het alleen als je het weet.

Veel panorama’s uit Time & Tide zijn ook rond zonsopgang gemaakt. „Dan is het licht gewoon het interessantst. Als ik midden op de dag fotografeer, moet het in elk geval uitgesproken weer zijn: storm, regen, nevel. Ook als je gezien hebt dat dit de lagune bij Camperduin is, moet je kunnen blijven kijken. Daar zoek ik naar.”

De tijd en het getij – tide and time wait for no man, zeggen de Engelsen. Maar zijn project is nu zo goed als klaar. Misschien moet hij nog een paar opnames maken. Zijn stijl is documentair, maar het is geen documentair werk, het hoeft niet de complete kust te zijn. In IJmuiden is hij bijvoorbeeld steeds opnieuw wezen kijken, maar het is hem niet gelukt er een spannende foto te maken, zegt hij. Dus zit IJmuiden niet in de selectie. Er komt een boek, volgend jaar, en een expositie in Den Haag, als Panorama Mesdag 140 jaar bestaat en ook moderne panorama’s wil tonen.

In Panorama Nederland volgde Swart vanaf 1997 de voortgang van grote bouwwerken zoals de HSL, de Betuwelijn of de tunnel onder de Westerschelde, een beetje in de traditie van Pieter Oosterhuis, die vanaf 1860 ‘grote werken’ in Nederland fotografeerde: sluizen in aanbouw, kanalen, spoorbruggen.

Voor dit project maakte Swart zijn panorama’s steeds opnieuw, vanaf hetzelfde standpunt, maar dan met soms wel twee of drie jaar ertussen. Documentair in stijl én van inhoud. Hij dacht dat het hem vijf jaar zou kosten, het werden er tien. „Ik moet van mezelf volhouden, eindeloos zoeken tot het naar mijn zin is – nee, niet de makkelijke weg kiezen.”

Ik blader door het boek. Op de eerste foto van een reeks staat een boerderij er nog. De tweede is op dezelfde plaats genomen, zie je aan de bomen in de verte, maar er liggen bergen zand en een pijpleiding. De boerderij is weg. Op de volgende foto is er nieuwe orde, met diezelfde bomengroep nog net zichtbaar achter een geluidsscherm. En dan, een bladzijde verder gaat het oog de lucht in en zie je het tracé met een fraaie slinger in het land liggen, met een Thalys die juist de A4 kruist.

Streef naar iets perfects, niet naar volledigheid

„Er moest iets bij de panorama’s”, zegt hij. Hij overwoog van alles, bijvoorbeeld ‘stillevens’ van werktuigen, maar dat werkte niet. „Achteraf was het volkomen logisch dat ik die projecten niet alleen vanaf het maaiveld maar ook uit de lucht moest laten zien.” Sinds 2001 vliegt hij met dezelfde piloot en diens helikoptertje vanaf vliegveld Hilversum. Topsnelheid 140 kilometer per uur. Maximale vliegduur: een dikke drie uur, precies genoeg om heen en terug naar de randen van het land te vliegen. „Op 100 meter hoogte, wel los van de aarde, maar niet zo hoog dat je foto’s ‘cartografisch’ worden.”

Zo heeft hij intussen het hele land uit de lucht gefotografeerd. Niet alleen voor Panorama Nederland – ook steden, bruggen, de Deltawerken, stadscentra, de grote rivieren als de uiterwaarden weer eens volstromen. Zijn archief is een belangrijke bron van inkomsten. De nieuw aangelegde natuur van de Marker Wadden bij Lelystad heeft hij in verschillende stadia vastgelegd, met in zijn achterhoofd dat natuurorganisaties of kranten die foto’s ooit willen gebruiken.

Maar het is soms frustrerend. Als het licht en het weer echt interessant zijn, heiig of buiig, is het licht ongeschikt voor wat hij spottend zijn ‘aardrijkskundeboekenfoto’s’ noemt, maar die hij móét maken en verkopen om het vliegen te kunnen terugverdienen, dus vliegt hij dan vaak niet. „Mijn fotografenhart leed eronder, dus zocht ik al een tijdje naar iets voor erbij, iets wat ik altijd kon doen.”

Foto’s Merlijn Doomernik

Toen hij Time & Tide bedacht, voelde dat als een bevrijding, zegt hij. Artistiek, omdat daarin het abstracte van zijn beste luchtfoto’s en het panoramische oog in zwart-wit samenkwamen aan de kust. En het viel ook samen met de bevrijding uit de zorg en druk van een uiteenrafelend huwelijk. Misschien dankt hij die nieuwe nadruk op zwart-wit wel aan zijn nieuwe liefde. Hij liet haar, zoals dat gaat, oud werk zien en ze merkte op dat zijn oude zwart-witfoto’s zoveel persoonlijker waren. Toen is hij gaan experimenteren.

Artistieke inzichten staan zelden op zichzelf

Voor die foto’s heeft hij een nieuwe techniek: een programmeerbare robot die zijn camera op statief automatisch een reeks opnames laat maken, zwenkend en neigend van linksboven naar rechts beneden. Zeg drie rijen van dertien foto’s. Die plakt hij dan thuis met software aan elkaar. Zo krijg je een enorm, akelig scherp bestand, dat tot elke grootte kan worden ‘opgeblazen’. En je kunt het naar believen bijsnijden, de horizon leggen waar je wil.

Na het kijken zelf is dat het echte werk. Monnikenwerk, niet langer in de doka, maar achter de computer. Selecteren, monteren, je afvragen of je die wolk die tussen de eerste en de laatste opname uit de reeks alweer een stukje is verschoven wel of niet laat zitten. Je contrasten kiezen. Maar het werk verschilt eigenlijk niet van het oude dokawerk. „Soms vergelijk ik mezelf met een uitvoerend musicus: het muziekstuk is er al, hoe voer je het uit? Ansel Adams, de Amerikaanse landschapsfotograaf zei het ook al: the print as performance of the negative.”

Hij neemt nooit iemand mee als hij gaat fotograferen. Dat leidt maar af als hij zich volledig moet concentreren. Na een dag kijken, is hij uitgeput. En als hij terugkeert op een plek waar hij eerder is geweest, ontdekt hij weleens dat die plek zelf ook uitgeput is en zijn magie heeft verloren. Dat hij die plaats heeft leeggekeken.

Lees ook een eerdere aflevering van deze serie: ‘De dood is een soort strenge vader: hij voedt je met harde hand op’

„Fotografie en leven kan ik niet goed scheiden”, zegt hij. „Als ik niet fotografeer word ik ongelukkig. Fotografie ís mijn leven, geeft het zin, identiteit. Omdat ik er ten diepste naar streef iets te maken dat ertoe doet. Het moet, zeg maar, de eeuwigheid zien te halen. En het veelt ook geen uitstel, ik wil iets niet pas over vijf jaar doen, maar meteen.”

Drie jaar heeft hij aan Tide & Time gewerkt, en hij voelt het zoeken naar iets nieuws alweer aankomen, „iets directers, misschien geen panorama’s meer”, want dat is „uitgestelde fotografie”; het beeld komt pas in de montage tot stand. „De worsteling is ellendig. Maar ook: alles kan weer. Ik verdrink in de mogelijkheden.”