Reportage

Via Zoom repeteren is lastig, met een tenortuba

Amateurmuziek Niet alleen de professionele muziekinstellingen, ook de amateurverenigingen zitten door de coronacrisis in zwaar weer. „Als de onderlaag instort, merk je dat gauw genoeg aan de top.”

De eerste zoomrepetitie van Gemengd Koor Chordanova
De eerste zoomrepetitie van Gemengd Koor Chordanova Foto Marcella van der Heijde

In het Brabantse dorpje Budel was de Harmonie EMM druk bezig met de voorbereidingen van de Buulse Proms. „Audities, grote lichtshow, bewegend podium, en zeker drieduizend man publiek”, zo omschrijft voorzitter Johan Vos de driejaarlijkse show aan de telefoon. Half Budel zou in oktober weer uitlopen. Maar het feest is uitgesteld. De huidige maatregelen zeggen nog niks over oktober. Maar, zegt Vos: „Het risico kunnen wij als vereniging niet dragen.”

Grote culturele instellingen zitten al een tijd in zwaar weer, maar ook de laag eronder, de uitgebreide wereld van de amateurmuziek, heeft steeds meer moeite de moed hoog te houden. Toch zijn het juist de amateurmuziekverenigingen die lokaal van groot belang zijn. „Muziek is vriendschap delen”, zeggen ze bij Marchingband Exempel in Empel. „Verenigingen zijn het cement van de lokale gemeenschap”, zegt bandmanager Richard van Riel. „Muziek verbindt, dat is echt zo. Dat gevoel is nu helemaal verdwenen.”

Hoezeer je samen spelen kunt missen, dat voelen honderdduizenden amateurmuzikanten nu dagelijks. Verenigingen proberen daarom op allerlei manieren samen bezig te blijven. Whatsapp-groepen floreren, er worden muzikale pubquizen gehouden en solorepetities worden online gezet ter inspiratie van de rest. Lessen van jeugdleden worden één op één digitaal gegeven. „Dat was even wennen, want hoe richt je je tenortuba op het microfoontje?” heeft Johan Vos zich afgevraagd. De docent hoeft niet doof.

In Oosterhout gaan ze nog een stukje verder. De dirigente van Gemengd Koor Chordanova kocht apparatuur om zelfs de groepsrepetities digitaal te kunnen houden. Nu repeteren ze weer op hun vaste dinsdagavond, zij het de ene week de vrouwen, de andere week de mannen. Elkaar horen kunnen ze niet, want alleen de microfoon van dirigente Marcella staat aan. „Maar we zien elkaar wel, en er wordt in ieder geval weer door iedereen gezongen”, zegt voorzitter Nico de Voogt. In de ‘digitale nazit’ wordt lief en leed gedeeld en wie zijn of haar ei echt kwijt wil, mag een stukje schrijven voor in de nieuwsbrief.

Contributies

Volgens Bart van Meijl, voorzitter van de amateurmuziekkoepel KNMO, zijn de grootste problemen van sociale aard, en nóg niet financieel. „Contributies lopen door, dus helemaal zonder inkomen zitten de meeste verenigingen niet. Maar de financiële situatie begint zorgelijk te worden. Grotere verenigingen draaien op shows, die kunnen zo een ton aan inkomsten kwijt zijn. Terwijl de huur van het clubgebouw en de dirigenten gewoon betaald moeten worden. En bussen die al geboekt stonden, sturen ook een rekening.”

Van Riel ziet flinke onderlinge verschillen: „Grotere verenigingen zijn mentaal en financieel veerkrachtiger. Sommige hebben hele draaiboeken opgesteld om de jeugd te kunnen blijven lesgeven en verzinnen online acties om geld in te zamelen. Maar, er zijn ook verenigingen die nog steeds niet weten hoe je een berichtje op sociale media zet. Zij weten het nu echt even niet meer. Veel van die kleinere clubs zijn we aan het einde van dit jaar kwijt, terwijl ook zij een grote bijdrage leveren aan de lokale maatschappij.”

Als het om financiële compensatie gaat, snapt Van Meijl best dat er als eerste aan professionele instellingen wordt gedacht. Maar hij waarschuwt ook: „Als de onderlaag instort, merk je dat gauw genoeg aan de top. Wat verenigingen nu het meest nodig hebben, is sturing. Een ministerie van OCW dat hardop zegt hoe belangrijk verenigingen zijn, zodat lokale overheden worden aangespoord actief mee gaan denken over een mogelijke herstart.”

Arie van Duijn, voorzitter van Marchingband DVS Katwijk, heeft daar niet op gewacht. Hij heeft zelf een brief naar de burgemeester gestuurd met een volledig uitgewerkt plan om in ieder geval de jeugdleden weer aan het repeteren te krijgen. Want, vindt hij, „wat voor sportverenigingen kan, moet voor marchingbands ook kunnen. We hebben tekeningen gestuurd van stoelen op het buitenveld, anderhalve meter uit elkaar, met een protocol erbij: geen ouders, en per rij opruimen en weglopen.” Bang voor kleine druppeltjes die door blaasinstrumenten misschien verder dan anderhalve meter zouden komen is hij niet. „Nee hoor, de meeste lucht blijft in de trompet hangen. Met hoesten of niezen zet je veel meer kracht.”

Van Riel legt het belang van de lokale muziekvereniging zo uit: „Als wij de mensen weer blij kunnen maken in hun eigen dorp, dan hoeven ze niet op vakantie met het vliegtuig.”