Opinie

Moreel oordelen over de oorlog blijft nodig, maar met oog voor ambivalentie

De ombudsman

Dat de oorlog je lang kan achtervolgen, weet ik van mijn vader. Gezegend met een feilloos gevoel voor timing kwam hij van school op tijd voor de Grote Depressie, zat hij als militair in mei 1940 op de eerste rij aan de Maas in Limburg, had hij daarna over werk niet te klagen bij de brandweer in Rotterdam (inclusief de grote brand van 1943, waarbij zijn eigen woning uitbrandde, aanleiding voor collegiale brandweerhumor) en bezorgde hij intussen illegale blaadjes. Er schijnt ook een stengun in huis te zijn geweest, maar die was verdwenen lang voordat ik (1960) mijn eerste plastic cowboypistooltje kreeg.

Eenmaal met pensioen kende mijn vader een vriend, een leeftijdgenoot, die hem als eenmanspersbureau op de hoogte hield van het vandalisme in de buurt. Opeens bleek die vriend taboe en het persbureau opgedoekt. Waarom? Mijn vader hield het op één smalende zin: „Die bunkerbouwer komt er niet meer in.” De vriend had zich terloops enkele minder patriottische werkzaamheden tijdens de bezetting laten ontvallen. Dat betekende einde verhaal, ook nog vijftig jaar na de laatste gevechtshandelingen.

Ook NRC werd dezer dagen opnieuw ingehaald door de strijd om goed en fout, die na het aandikken van grijstinten in volle hevigheid terug is. Ik kreeg post over de zaak-Calmeyer en een interview met historicus Chris van der Heijden, een van de gangmakers van het grijs maken.

Eerst Calmeyer, de Duitse ambtenaar die besliste over de status van half-Joodse Nederlanders en daarmee hun lot kon bezegelen. NRC bracht een stuk van Joep Dohmen over een EO-documentaire waarin de reputatie van de man als ‘mensenredder’ (duizenden Joden overleefden omdat hij in hun voordeel besliste) stevig wordt aangevochten. Het verzoek van de Amsterdamse Femma Fleijsman, die centraal stond in de documentaire en een begeleidend boek, werd zonder pardon afgekeurd. Ze overleefde Auschwitz en deed nu pas haar verhaal.

Na het artikel volgde een kleine Historikerstreit. Briefschrijvers namen het voor Calmeyer op. In Boeken verscheen een kritische recensie van het boek, Het raadsel van Femma van journalist en historica Els van Diggele. Volgens de recensent, historicus Jaap Cohen, wordt Calmeyer, een ambivalente figuur, in het boek ten onrechte gereduceerd tot een eendimensionale collaborateur.

Volgens een van de briefschrijvers, historica Petra van den Boomgaard die promoveerde op onderzoek naar Calmeyer (en betrokken is bij een op te richten museum over hem) miste ook het stuk op de nieuwspagina’s nuance en een kritische bik.

Nieuws was dit zeker: een overlevende van de Calmeyer-lijst die voor het eerst haar verhaal deed. Maar Dohmens citaat uit haar onderzoek dat Calmeyer „willekeurig” besliste, was onvolledig, zegt Van den Boomgaard. Blijkens haar onderzoek besliste hij in 3 procent van de zaken willekeurig (135 mensen), vooral na september 1943, toen hij onder zware druk kwam van de nazi-autoriteiten. In de zaak-Fleijsman was de beslissing niet willekeurig: haar verzoek werd – zoals ook in het stuk staat – afgewezen omdat het bewijs te licht werd bevonden.

Dohmen sprak met Van Diggele en de documentairemaker (en bekeek hun documentatie) maar niet met Van den Boomgaard, die de dossiers van Calmeyers Entscheidungsstelle analyseerde. De samenvatting van haar onderzoek ontleende hij aan een eerder artikel over haar promotie in NRC. Dat kan, maar meer bronnen raadplegen was beter geweest, vind ik. Dit is tenslotte een controverse die al lang woedt, zeker sinds Calmeyer in 1992, omstreden, werd onderscheiden door Yad Vashem. Nu bleef het stuk vooral een lange tv-voorbeschouwing, zonder nader eigen onderzoek.

Boeken en de nieuwsredactie blijken ook niet op de hoogte te zijn geweest van elkaars stukken over de zaak. Van de recensie verschenen bovendien twee, lichtelijk verschillende versies. Enkele passages waren in de middagkrant milder geformuleerd dan die dag in nrc.next. Het oordeel bleef hetzelfde (twee ballen).

Inderdaad, in de ochtendkrant was een oude versie beland van de bespreking, die door de recensent was aangepast na overleg met de chef Boeken, die het boek ook had gelezen, en de eindredactie. Overigens leidde dat ook tot een verscherping van het oordeel: Cohen wierp een nadere blik op de historische documenten in het boek – die de auteur volgens hem verkeerd interpreteert.

Nog meer collaboratie en verzet. Boeken bracht ook een interview met Chris van der Heijden, wiens geruchtmakende Grijs verleden (2001) opnieuw is uitgegeven. Een persoonlijk, zelfs amicaal gesprek (de redacteur had hem destijds ook geïnterviewd, als eerste) waarin Van der Heijden ook sprak over zijn collaborerende vader.

Eén lezer vond de timing van het interview pijnlijk en het joviale gesprek zelfs „gevaarlijk” – een teken hoe gevoelig dit nog ligt.

Dat is overdreven. Er is niets op tegen de auteur van een controversieel boek jaren later nog eens aan de tand te voelen, ook niet op een persoonlijke manier.

Toch vond ik het een gemiste kans. Grijs verleden hoort bij een fase in de geschiedschrijving over de oorlog die begon met de ‘grijstintenoratie’ van Hans Blom in 1983. Inmiddels zijn we in een volgende fase, met opnieuw helden en schoften. Je zou benieuwd zijn wat de pleitbezorger van Grijs daarvan vindt en of zijn visie nog overeind staat. Het kwam aan de orde, maar mondjesmaat.

De behoefte aan oordelen over de oorlog blijft groot, zoals Bernard Hulsman duidelijk maakte in een mooi essay. Kritische vragen horen daar bij. Al hoef je iemand niet altijd meteen als een bunkerbouwer buiten te zetten.

Reacties: ombudsman@nrc.nl.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.