Hoe deze crisis de pijnlijke leegte van Haagse identiteitspolitiek openbaart

Deze week: als-dan-verruiming à la Rutte, zorgen over de zwakke basis van het kabinet, debat in de Trêveszaal, en: de ineenstorting van Denk en 50Plus. Ofwel: hoe de coronacrisis ook de leegte van Haagse identiteitspolitiek openbaart.

Zoals bekend hebben we een premier met een lenig hoofd. Wat hij vandaag verwerpt kan hij morgen verdedigen.

Wie weleens een persconferentie van hem heeft gevolgd, kent bijvoorbeeld het rituele gemak waarmee hij zogenoemde ‘als-dan-vragen’ afwimpelt.

„Ja, dat is een als-dan-vraag die zich niet laat beantwoorden”, zei hij op 21 augustus 2015 over de Griekse schuldencrisis. „Ik heb in dit vak geleerd nooit op als-dan-vragen in te gaan”, zei hij op 16 februari 2017.

Zo deed hij dit een kleine tien jaar in ontelbare varianten.

Dus het was van karakteristieke onverschrokkenheid dat Mark Rutte (VVD) deze week zijn draai over de corona-aanpak nagenoeg volledig als een ‘als-dan-verhaal’ bracht.

Als het virus niet opnieuw oplaait, zei hij, dan mogen middelbare scholen en cafés (afgeslankt) na 1 juni weer open. Als het kan, dan mogen na 1 juli weer honderd man in een bioscoopzaal. Als het kan, dan mag na 1 september het betaald voetbal weer beginnen.

Het was, zoals een betrokkene uit de coalitie vertelde, vooral sociale psychologie. Rutte, de man die binnenskamers wekenlang de meest behoudende positie over ontgrendeling van de economie innam, behield zijn voorzichtigheid maar veranderde zijn presentatie: de risico’s die hij vreest, werden nu als ontbindende voorwaarden voor verruiming gebracht.

Van intelligente lockdown naar als-dan-verruiming: je hoorde deze week vaak dat ‘woorden betekenis hebben’ – maar bij Rutte kan het nooit kwaad die woorden eerst van de andere kant te bekijken.

Tegelijk zijn de resultaten van de Nederlandse aanpak, hoewel allerminst perfect, zeker niet slecht. Wat moet dalen (ziekenhuisopnames, IC-bezetting), daalt ook. Het onderstreept dat de voornaamste keuze die het kabinet bij het begin van de crisis maakte – ‘de overheid maakt zich sterk’ – tot nu toe redelijk uitpakt.

Bovendien voerde de Tweede Kamer deze week, geïnitieerd door Lodewijk Asscher (PvdA), een debat over de strategie onder de plannen, en je merkte dat dit allerlei politici opluchtte: na de eindeloze discussies over IC- en mondkapjestekorten (‘het tekort van de week’) gíng het ergens over.

Het viel samen met de ontluisterende ineenstorting van 50Plus en Denk. De symboliek daarvan was niet te missen. Beide partijen zijn producten van identiteitspolitiek: zelfbeeld voorop, eigenbelang eerst.

Een aanpak die het zoekt in overdrijving en trucs voor aandacht, zonder belangstelling voor het klassieke oogmerk van politiek: kiezers betrekken bij het grotere geheel. Bij ideeën, gemeenschappen, democratie – de wereld.

Dus dat twee representanten van die stroming uitgerekend tijdens de coronacrisis ervoeren dat louter eigenbelang vanzelf eindigt in destructiedrang, leek me geen verkeerde bijvangst. Dit was Krol, dit was Öztürk, goedenavond.

In zijn schitterende toespraak op 4 mei citeerde Arnon Grunberg Primo Levi: „Ik kan niet begrijpen, niet verdragen dat men een mens beoordeelt niet naar wat hij is, maar naar de groep waar hij toevallig toe behoort.”

Een beter argument tegen identiteitspolitiek bestaat niet, en het was tekenend dat Geert Wilders (PVV), uitvinder van de witte variant, reageerde door alleen ‘minder, minder’ in kapitalen op sociale media te gooien.

De beruchte kreet ging destijds gepaard met de bekendste en zwakste claim uit zijn oeuvre („Dan gaan we dat regelen”). Maar hij heeft nooit iets geregeld – hij heeft het niet eens geprobeerd. Hij zei maar wat. Lucht, meneer.

De verleiding was deze week groot om het einde van de identiteitspolitiek te vieren, maar dat zou naïef zijn. Kijk maar wat de Amerikaanse president Donald Trump nu probeert met China en dat verdachte lab in Wuhan: wie aan zichzelf twijfelt kan altijd zelfverheerlijking ontlenen aan een nieuwe vijand. Wat dat betreft zou ik me ook over Nederland geen illusies maken.

Tegelijk schetste de conservatieve Republikeinse strateeg David Winston vorige maand in The New York Times de effecten van de coronacrisis op de politiek. De kiezer wil even geen pretentie maar competentie van zijn regering. Detail: David Winston was een van de buitenlandse politieke strategen die Rutte in zijn oppositiejaren (2006-’10) raadpleegde over zijn weg naar het premierschap.

Maar competentie is ook een depolitiserende factor. Je kon het terugzien in de kabinetsdiscussies over versoepeling van de crisismaatregelen. Het was, zoals een ambtenaar opmerkte, in de kern een debat „over mens- en wereldbeeld”: hoeveel risico durf je als overheid over te dragen aan de burger? Ook binnen partijen dachten bewindslieden verschillend. Rutte helde naar de conservatieve kant, partijgenoot Wiebes naar de liberale. In D66: Van Engelshoven behoudender, Koolmees liberaler. In het CDA: Hoekstra liberaler, De Jonge behoudender.

Hugo de Jonge gaf wel de aanzet tot veranderingen. Na de Catshuissessie twee weken terug liet hij begin vorige week een notitie voor de ministerraad opstellen, die hij vorige week tweemaal met Rutte en minister Ferd Grapperhaus (Justitie, CDA) voorbesprak. In de versie van donderdagavond werd, begreep ik, al gezinspeeld op lichte versoepeling.

Maar wat de notitie ook deed: het benoemde de vier fases van de coronacrisis (uitbraak-, tussen-, controle- en vaccinatiefase), en toen het stuk vrijdag in de ministerraad werd uitgedeeld, gaf dat kabinetsleden houvast. „Als je leest dat de uitbraakfase achter de rug is, stelt dat ook ministers gerust”, zei een waarnemer. „Het zijn net mensen.”

Het debat in de ministerraad daarna was stevig. De stem van de werkgeverslobby, die bij bewindslieden alarm had geslagen over dreigende massaontslagen, klonk door in de Trêveszaal. Die avond werd al duidelijk dat ook de premier begon te schuiven.

En toen twee dagen later in het Catshuis bleek dat hij een nieuwe toon wilde aanslaan, kreeg je ook mensen die dachten: misschien moeten we het gedepolitiseerde debat in het kabinet proberen te verbreden.

De komende dilemma’s zullen onvergelijkbaar zijn met de dilemma’s tot nu toe. De kortetermijntoekomst van het virus is onzeker, de kortetermijntoekomst van de nationale economie staat vast: die stort in.

Het betekent dat het kabinet (waarin Kajsa Ollongren vanaf volgende week weer fungeert als vicepremier) naast virusbestrijder ook recessiebestrijder wordt. Het kan amper onaantrekkelijker: wanneer het hierna tegenzit met de als-dan-verruiming, en het virus weer gaat groeien, moet het kabinet de ingestorte economie verder verslechteren.

Ga er maar aan staan.

Tegen die achtergrond heb je mensen in de coalitie die vooruitkijken, en oppositiepartijen vroegtijdig willen betrekken bij de besprekingen, vanaf volgende maand, over de begroting van volgend jaar.

Ik kreeg deze week niet de indruk dat er vanuit de coalitie al stappen zijn gezet, maar de redenering is: het land staat voor kolossale problemen, het kabinet heeft geen meerderheid (!) in Eerste én Tweede Kamer, het parlement zit vol met (identiteitspolitieke) oppositiepartijen die hun neus voor verantwoordelijkheid ophalen, dus laten we als coalitie zo snel mogelijk, voordat het te laat is, proberen de handen ineen te slaan met de constructieve krachten.

Een logische uitkomst lijkt het me niet, een jaar voor de verkiezingen. Het zou vermoedelijk ook nieuwe zuurstof aan identiteitspolitieke partijen geven.

Aan de andere kant: gezien de omvang van deze crisis is de basis van dit kabinet wel verontrustend zwak – zeker nu we weten dat het ergste nog moet komen.