Necrologie

Eigenzinnig en extravagant pionier van de popmuziek

Little Richard (1932-2020) Zijn muziek is meteen herkenbaar: jubelende stem, pijlsnelle teksten en hamerende piano. Little Richard was misschien wel de beste belichaming van de vroege rock-’n-roll.

Foto Little Richard tijdens een concert in 2011.
Foto Little Richard tijdens een concert in 2011. Foto Paul Morigi

Van alle rock-’n-rollers van het eerste uur belichaamde hij het beste de elektrische lading, seksualiteit en eigenzinnigheid van het genre. Tot zijn dood, zaterdag bevestigd aan muziekblad Rolling Stone, bleef Little Richard een inspirerend icoon van de popmuziek. Maar hij was ook de man die zich tweemaal in zijn leven radicaal bekeerde en vanaf de kansel zijn eigen homoseksualiteit, drugsgebruik en rock-’n-roll laakte. Om er daarna steeds weer naartoe terug te keren.

In de jaren vijftig bood de ontluikende popcultuur ruimte aan rebellerende karakters en Little Richard vulde die ruimte met overgave. Zo typerend als zijn hoog getoupeerde kapsel en zijn oogleden vol mascara zijn, zo is ook zijn muziek herkenbaar binnen een seconde: een aanstekelijk jubelende Wooo!, pijlsnelle teksten, hamerende pianostijl. Hij inspireerde The Beatles en kroonde zichzelf de King of Rock-’n-Roll.

Richard Wayne Penniman werd in 1932 geboren in Macon, Georgia, in een gezin van twaalf kinderen. Zijn vader stookte illegaal whiskey en was prediker, net als veel familieleden. Bij de Zevende Dag Adventisten en in pinksterkerken leerde de jonge Penniman gospel zingen en pianospelen. Later zou hij verklaren dat hij in zijn jeugd seksueel werd misbruikt en daardoor zijn homoseksualiteit zou hebben „ontwikkeld”. Op zijn dertiende werd hij uit huis gezet en trok in bij een wit gezin, uitbaters van een club waar hij voor het eerst optrad.

Als adolescent ontpopte hij zich als flamboyante gay. Onder invloed van reizende muzikanten uit New Orleans ontwikkelde hij een combinatie van de r&b uit die stad en gospel. Korte tijd later kwam hij zelf naar New Orleans waar het in die periode op alle fronten bruiste. De extravagante, zwarte r&b-scene was begin jaren vijftig een walhalla voor homo’s, drag queens en muzikale freaks. Little Richard paste er perfect in, maar zou de stad ook al snel weer ontgroeien.

Vunzig en onzinnig

Dat gebeurde tijdens een legendarische opnamesessie in de belangrijkste studio van New Orleans: J&M Studios. Aanwezig waren de sessiemuzikanten die in die jaren bijdroegen aan hits van Fats Domino, Ray Charles en James Brown; de geboorte van rock-’n-roll en soul. De sessie met Little Richard liep die dag in 1955 niet zo vlot. Tussen de opnames door zat Richard te klooien met een even vunzig als onzinnig liedje. Een zinsnede eruit: Tutti Frutti, good booty / If it don’t fit, don’t force it / You can grease it, make it easy. Veel te obsceen om uit te brengen, maar catchy was het wel.

In een hoekje van de studio werd een tekstschrijver aan het werk gezet. Niet veel later klonk voor het eerst de fameuze openingsscat: Wop Bop Aloo Bop Alop Bam Boom! waarna de backbeat erin kwam en de piano maniakaal geranseld werd. Tutti Frutti werd Richards doorbraak en meest iconische lied. Het heeft alles wat een popliedje nodig heeft: herkenbaar vanaf de eerste seconde, opwindend, komisch, vol aanstekelijke eigenzinnigheid.

Wat volgde was een trits hits zoals Long Tall Sally, Lucille en Good Golly Miss Molly. Live bleek Richard met zijn extravagante uiterlijk niet alleen een uitstekende performer, maar ook een begenadigd comedian, veelvuldig refererend aan zijn homoseksualiteit.

In 1957, op het hoogtepunt van zijn roem, kreeg de zanger in het vliegtuig op weg naar Australië een religieuze ervaring. Later verklaarde hij dat hij had gezien hoe een van de motoren roodgloeiend van hitte was en dat een engel een vliegramp had voorkomen. Eenmaal geland deelde hij zijn bandleden mede dat hij voortaan alleen nog maar zou prediken zoals God hem had opgedragen. Hij bleek serieus. Boven de Stille Oceaan was het eerste deel van zijn popcarrière ten einde gekomen.

Ondanks druk van de platenmaatschappij zong hij vanaf dat moment nog slechts in kerken en wijdde zich aan bijbelstudies. Hij bracht nog enkele gospelplaten uit, maar het duurde tot begin jaren zestig voordat hij terugkeerde in de popcultuur. Dat was in 1962 in Europa, waar onder meer The Rolling Stones en The Beatles in zijn voorprogramma stonden. Vooral Paul McCartney was idolaat van Richard en zou onder meer zijn Long Tall Sally coveren.

Ironisch genoeg waren het juist die groepen die in de Verenigde Staten de rock-’n-rollers van het eerste uur uit de markt stootten. Richards comeback had ook niet meer de impact van weleer, maar hij bleef een fenomenale performer.

Het was vooral de heropleving van rock-’n-roll in de vroege jaren zeventig die Richard nog een nieuwe carrière bood. Niet met hits, maar met televisieoptredens, grappend en ontregelend, vaak in drag en anders toch stevig opgemaakt.

Begin jaren tachtig was hij echter weer terug bij de kerk, prekend, zingend, toerend in het gospelcircuit. In een verwarrende mengeling van zelfspot en zelfverachting distantieerde hij zich van de goddeloze rock-’n-roll, verwierp hij zijn homoseksualiteit en betuigde spijt van zijn excessieve drugsgebruik. Hij hield het niet lang vol en keerde halverwege de jaren tachtig opnieuw terug naar de showbizz, waar hij vooral nog werk vond als rock-’n-roll-icoon in films, zanger in kinderprogramma’s en huwelijkspredikant voor onder anderen Bruce Willis en Demi Moore.

Zijn comebackhit kwam er nooit, maar zijn imago staat geëtst in het collectieve geheugen, evenals zijn reeks rock-’n-rollklassiekers. Met Tutti Frutti kun je ruim zestig jaar na die studiosessie nog altijd moeiteloos elk ingedut feestje tot leven wekken. In de popmuziek zijn velen schatplichtig aan hem: van het androgyne van David Bowie tot de eigenzinnige extravaganza van funkbassist Bootsy Collins.