Opinie

Wie alles tegelijk wil herdenken, herdenkt niets

Na de oorlog Zijn Duitse moeder verbood haar zonen een uniform te dragen. Zijn Nederlandse vader trok er vrijwillig één aan. leest de liefdesbrieven van zijn ouders.
Illustratie XF&M

De brieven hebben meer dan een halve eeuw op zolder gelegen, in een huis dat al lang leeggehaald en verkocht is. De oudste dateren uit de oorlogsjaren, geschreven op dun en grauw papier. Er staat ‘Feldpost’ op, ze komen uit Duitsland; de latere ook uit Frankrijk, Ierland, Spanje, Zweden en, vooral, uit Nederland.

Er staan vreemde stempels op, er zitten tabakskruimels in (en in één geval een paar koffiebonen), adressen zijn twee en drie keer doorgehaald of er is een zegel opgeplakt met de mededeling dat ze voor deviezencontrole zijn geopend. Hoeveel zullen het er zijn? Driehonderd? Vierhonderd? Ik heb lang gewacht met ze te lezen, pas de quarantaine maakte een einde aan dat uitstelgedrag. De dozen waarin ze verpakt waren vielen bij het openmaken van ouderdom uit elkaar.

Het is vreemd om de liefdesbrieven van anderen te lezen en nog iets vreemder wanneer die anderen je ouders zijn. Dat wil zeggen: je ouders lang voor je geboren werd, op een leeftijd die je eigen kinderen, hun kleinkinderen, nu hebben. Ze waren tweeëntwintig en eenentwintig toen ze elkaar tegenkwamen.

Bij het schrijven van dit artikel heb ik een paar keer geprobeerd ze Jan en Margarete te noemen, om ze een beetje op afstand te zetten en vooral te begrijpen wat hun briefwisseling te zeggen had over de tijd waarin ze leefden. Dat is me maar half gelukt. Het is bij de grote geschiedenis, die van landen en volkeren, al lastig genoeg om je te blijven realiseren dat het even goed anders had kunnen lopen, dat er geen logica is geweest waarmee de ene gebeurtenis onontkoombaar voortvloeide uit de andere, dat het verhaal pas achteraf kan worden geschreven.

Wanneer je er persoonlijk bij betrokken bent is het soms regelrecht pijnlijk. Ik merkte bij het lezen dat ik de neiging had om ze te waarschuwen: ‘schrijf dat niet zo op’, ‘doe dat nou toch niet’ of zelfs: ‘trouw toch in godsnaam niet met elkaar’. Want met de kennis van nu zijn die twee jonge mensen van destijds, zelfs toen ze elkaar nog niet kenden, toch al mijn moeder en mijn vader.

Ze waren geen helden en ook geen slachtoffers, al dachten ze daar zelf misschien anders over

De oorlog speelde een doorslaggevende rol in hun leven. Ze waren geen helden en ook geen slachtoffers, al dachten ze daar zelf misschien anders over; het ergste is hun en hun naasten bespaard gebleven. Wat hen hoogstens onderscheidt is dat de een in het ene land geboren werd en de ander in het andere, in een tijd dat er nog geen open grenzen waren.

Ze ontmoetten elkaar in 1947 in een werkkamp bij Bonn, waar studenten uit verschillende Europese landen hielpen bij de wederopbouw van Duitsland. Het was kennelijk geen vraag of je zo kort na de oorlog wel al steun moest geven aan de voormalige vijand.

De student uit Nederland had het laatste jaar van de oorlog ondergedoken gezeten, juist om te ontkomen aan werken in Duitsland. Wanneer soldaten het huis doorzochten, verborg hij zich in een kist op zolder.

Arbeitsmaid

Zijn toekomstige geliefde had in ’44 net als andere achttienjarigen vervroegd eindexamen gedaan en was naar Noord-Duitsland gestuurd, om er ingezet te worden als ‘Arbeitsmaid.’ Aanvankelijk was ze schoonmaakster, later telefoniste, hulp bij de luchtafweer, onderhoudsmonteur en ten slotte zelfs operatiezuster. Ze volgde een cursus wapenonderhoud in Magdeburg toen die stad in de nacht van 17 januari ’45 werd platgebombardeerd. Samen met de andere meisjes werd ze in de vroege ochtend de ruïnes van de stad ingestuurd om de lijken te bergen.

De gruwelijke details heeft ze me later verteld, naarmate het langer geleden was steeds vaker. In de brieven naar huis zijn ze niet te vinden. Die konden door de militaire censuur worden meegelezen, maar waren bovendien bedoeld om haar ouders gerust te stellen. Zoals ook zij vooral hoopte goed nieuws uit het Rijnland te krijgen. Er is een ansichtkaart met een roze elfje waarop haar jongste zusje in grote kinderletters de namen van de straten schrijft waar geen huizen meer staan en haar vader stuurt een zelfgemaakt boekje met romantische gedichten als kerstgeschenk.

Naarmate de Russen dichterbij komen wordt de toon van de brieven naar huis somberder. Steeds weer schrijft ze dat het haar vaste overtuiging is dat de familie elkaar zal weerzien en dat het weerzien heerlijk zal zijn – in het hiernamaals.

Lees ook: Hier sprak ook de zoon van een vader die de oorlog nooit vergat

Diepe ernst

De twee geliefden groeiden, kortom, op in een tijd die weinig ruimte bood voor zorgeloosheid en dat is ook het eerste wat opvalt wanneer ze elkaar beginnen te schrijven: de diepe ernst waarmee niet alleen bladzijden lang de eigen gevoelens worden uiteengezet en geduid, de uitvoerige beschouwingen over politiek en geloof, maar ook steeds weer de meldingen over het nijpend gebrek aan geld en de schaarste aan levensmiddelen, de verzending van schoenen, jassen, tabak en koffie vanuit Nederland, hoe moeilijk het is om te reizen en elkaar te zien, terwijl ze niets liever willen dan dat.

In 1948 spreken ze af dat ze hun moeders over hun verhouding zullen vertellen en van de reactie doen ze elkaar verslag.

„Maar… een Duitsche, terwijl er zoveel lieve meisjes in Holland zijn”, zegt de moeder van Jan na zijn bekentenis.

„Ach kind, dan kan ik mijn kleinkinderen straks niet verstaan”, die van Margarete.

Ook de autoriteiten blijken zo hun bedenkingen te hebben. Wanneer zij eindelijk het visum voor een kort verblijf in Nederland verkrijgt, stelt de consul in Frankfurt als voorwaarde dat ze het verblijf niet zal misbruiken om „in de echt te treden”.

Andere landen zijn ruimhartiger. In ’49 verleent de Franse regering haar een beurs om een jaar in Parijs te studeren. Uitnodigingen uit Denemarken en Zweden volgen. Er ontstaat een netwerk van jonge mensen die nieuwsgierig zijn naar elkaar, naar elkaars landen en culturen nu het dodelijke virus van het nationalisme overwonnen lijkt. De oorlog willen ze liefst zo snel mogelijk vergeten.

Tussen de brieven van studenten uit verschillende Europese landen vind ik steeds weer programma’s van vredesconcerten, verbroederingsdiners en bezinningsdagen, gefaciliteerd door regeringen, door internationale studentenorganisaties en door de katholieke kerk. „Ik ben het leven van een vrij mens in de 20ste eeuw ontwend”, had zij in januari ’45 aan de familie geschreven. Dat gemis werd nu dubbel en dwars ingehaald.

Als het geld het toestaat reist mijn toekomstige vader zijn geliefde achterna en als er geen geld is, en geen visum, legt hij desnoods de driehonderd kilometer tussen Utrecht en Mainz af op zijn zwarte Fongers, onder dekking van het duister duwt hij dan het rijwiel door een weiland over de grens.

In hun briefwisseling zijn er tussen alle liefdesbetuigingen door ook steeds weer hevige crises, zeg maar rustig ruzies. En als ze niet over geld gaan, gaan ze over de oorlog. In ’49 meldt hij zich aan voor de Nationale Reserve, omdat hij „weliswaar geen communistenhater is” maar wel bezorgd is over de dreiging uit het oosten. Zij waarschuwt vanuit Parijs dat hij door het dragen van een uniform, welk uniform dan ook, hun relatie op het spel zet.

‘Ik verdom het om een vrouw te trouwen met een sentimenteel antimilitaristisch complex’

Woedend schrijft hij terug: „Ik heb oog voor wat je ervaren hebt in een harde en meedogenloze oorlog en ik ben bezorgd, als je schrijft dat je in jouw gelukkigste momenten soms plotseling moet denken aan de paniek van een Bombennacht. En ik zal alles doen om je die vreselijke dingen te helpen vergeten. Maar ik verdom het om een vrouw te trouwen met een dergelijk sentimenteel antimilitaristisch complex. Dat je het militaire gedoe haat, dat is je vrouwelijke recht en wellicht het wezen van je moeder-zijn. Maar tracht het niet te rechtvaardigen op een dergelijke wijze, dan maak je jezelf belachelijk.” Aan het eind van het jaar maken ze hun verloving bekend.

Het zal nog ruim vijf jaar duren voor ze trouwen, op een zonnige dag in een kleine stad aan de Rijn. De voorbereidingen op het huwelijk zijn maandenlang een bron geweest van zorg en conflicten. Er kunnen niet te veel gasten uit Holland komen; te weinig eten, te weinig bedden, haar moeder valt flauw van de spanningen. De bruidegom werpt tegen dat hij het niet kan helpen dat hij nu eenmaal zes broers en zusters heeft. Hij belooft dat iedere bruiloftsgast een half pond koffie meebrengt. Het heeft ook wel iets komisch, achteraf.

Lees ook: Voor Duitsers voelt het inmiddels ook als een bevrijding

Grensoverschrijdende verbintenis

Zowel om persoonlijke als om politieke redenen zou het mij goed uitkomen als de grensoverschrijdende verbintenis een succes geworden was. In 1956 wonen ze eindelijk samen, op kamers, in Nederland. Het laatste briefje dateert uit oktober van dat jaar: een felicitatie met de geboorte van hun eerste zoon. Maar in 1966, en drie kinderen later, gaan ze uit elkaar.

Het is het jaar van de protesten tegen Het Huwelijk, van prinses Beatrix met een Duitser. Ook in ons dorp gaan handtekeningenlijsten rond.

In Duitsland lopen de spanningen veel hoger op en ze zullen langer duren: daar vraagt een jongere generatie aan de vorige, die van de vaders en de daders, om verantwoording af te leggen en eindelijk eens serieus tot vervolging over te gaan. Nadat de eerste vreugde om de herwonnen vrijheid geluwd is, en de materiële nood niet meer zo groot, begint alsnog de verwerking. Ontkennen, vergeten en opnieuw beginnen blijkt toch niet zo makkelijk te gaan.

Bij ons thuis werden nauwgezet de twee minuten stilte in acht genomen, in de huiskamer, staand. Maar ik weet wel zeker dat mijn ouders daarin aan heel verschillende dingen hebben gedacht. Zij duwde daarbij weg dat ze wel degelijk een fout uniform had gedragen, hij dat ze daartoe gedwongen was. En allebei vergaten ze op den duur hoe verschrikkelijk veel ze van elkaar hadden gehouden.

Bij het lezen van de brieven fantaseerde ik op een gegeven moment hoe het voor hen zou zijn geweest als die hele rotoorlog nooit was uitgebroken. Dan hadden ze elkaar waarschijnlijk nooit ontmoet. Dan waren er voor de kinderen geen scènes uit een concentratiekamp nagespeeld in de eetkamer. Dan had het huwelijk heel gewoontjes kunnen stuklopen op dezelfde onverenigbaarheid van karakters waarvoor de oorlog misschien alleen maar de katalysator was.

Lees ook deze gesprekken met de laatste ooggetuigen

Voor wie zelf niet bevrijd is

Vijfenzeventig jaar na het einde van die oorlog nadert een derde fase zijn voltooiing, die waarin er geen getuigen meer in leven zijn en ook hun kinderen al aardig op leeftijd beginnen te komen. De terechte vraag is wat het herdenken van het lijden en het vieren van de bevrijding betekent voor wie zelf niet bevrijd is of geleden heeft.

De oplossing die daarvoor, in de jaren zestig al, gekozen is lijkt me de slechtst denkbare. Het was terecht dat aan de slachtoffers die op 4 mei genoemd worden naast militairen en verzetsstrijders in een later stadium de vermoorde Joden, Roma en Sinti, politieke gevangenen en homoseksuelen zijn toegevoegd. Ze horen bij het verhaal over de Tweede Wereldoorlog, hoe je dat verder ook interpreteert.

Maar dat geldt niet voor de gesneuvelde soldaten tijdens de ‘politionele acties’, niet voor de Korea-vrijwilligers, niet voor de deelnemers aan vredesmissies in Libanon, Bosnië en Afghanistan en niet voor de passagiers die omkwamen door de raketaanval op de MH17. Volgens de steeds weer aangepaste officiële formule herdenken wij nu op 4 mei „allen – burgers en militairen – die in het Koninkrijk der Nederlanden of waar ook ter wereld zijn omgekomen of vermoord sinds het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, in oorlogssituaties en bij vredesoperaties”.

Een gesprek over oorlog en vrede, goed en fout – daar is geen actualisering voor nodig

Wie alles tegelijk wil herdenken, herdenkt uiteindelijk niets. Of op zijn best een vrome abstractie. Terwijl dat nu juist als het gaat om de Tweede Wereldoorlog en de nasleep daarvan, nergens voor nodig is, want die is zeldzaam uitgebreid gedocumenteerd, in films en op foto’s, door boeken en geluidsfragmenten, met een hoeveelheid archiefmateriaal zo groot dat het nog steeds niet volledig ontsloten is, in dagboeken en, ja, ook in brieven die op zolders worden gevonden.

Een gesprek over oorlog en vrede, goed en fout, vrijheid en onvrijheid valt heel goed aan de hand van zulke bronnen te voeren, daar is geen actualisering voor nodig.

En al helemaal geen identificatie, naar ik vrees de denkfout die ten grondslag ligt aan de Bevrijdingsfestivals waarvoor op 5 mei populaire artiesten als ‘ambassadeurs’ op pad gaan om jongeren te vertellen dat vrijheid betekent ‘mogen zijn wie je bent’ en ‘de muziek kunnen maken die je wilt’. Goed bedoelde, lege teksten.

Slordig landschap

Ik heb een paar middagen gedaan over het sorteren van de brieven, ze per jaar op stapels gelegd. Uiteindelijk had ik een grote tafel vol, een slordig landschap van de voorgoed verleden tijd. Hoe meer ik er uit plukte en las, hoe meer het besef groeide dat de afzenders echt andere mensen zijn geweest in een andere tijd. Om dat te begrijpen is ‘herkenning’ helemaal niet nodig, die staat daarbij eerder in de weg. Ik ben mijn ouders al lezend ook steeds minder kwalijk gaan nemen, bijna alsof ze mijn kinderen hadden kunnen zijn.

Het verdwijnen van levende getuigen en het verstrijken van de tijd zou ook op herdenken en vieren positief kunnen uitwerken. Bijvoorbeeld doordat het makkelijker wordt om met een open blik te kijken naar een tijdperk dat definitief is afgesloten. Ik geef toe dat mijn eerste reactie er een is van tandenknarsende woede wanneer een Nederlandse politicus de ambities van ‘Brussel’ met die van Adolf Hitler vergelijkt. Of wanneer een Duitse collega de Holocaust een ‘vogelpoepje’ noemt in de geschiedenis van zijn land.

Maar op vergelijkingen zou geen taboe moeten rusten. Ze laten overeenkomsten zien, maar evengoed de verschillen. Het is net zo dom om een politieke tegenstander zonder meer voor nazi uit te maken als het is om met al of niet gespeelde verontwaardiging te reageren wanneer er parallellen worden getrokken tussen ons tijdsgewricht en de jaren dertig, zoals deze week gebeurde toen Arnon Grunberg deze week in de Nieuwe Kerk de positie van minderheden in het verleden met die van nu vergeleek. Maar patronen zijn er wel degelijk in te ontwaren, zowel in de relaties tussen mensen als tussen staten. Wie iets over aard en wezen van peren wil weten, doet er soms goed aan ze met appels te vergelijken.

Herdenken is een maatschappelijk ritueel dat niet zonder concrete beelden kan en niet zonder een morele dimensie die wordt uitgedrukt in dichtregels en slogans als ‘Een volk dat voor tirannen zwicht’ of ‘Nie wieder’. Het verhaal van onze laatste oorlog onder de aandacht blijven brengen helpt om te begrijpen dat, bijvoorbeeld, de huidige pandemie wel een crisis is maar geen oorlog, dat uit eten gaan geen eerste levensbehoefte is en een rij voor de supermarkt niet meer dan een wissewasje, dat thuisblijven en onderduiken wezenlijk van elkaar verschillen, dat goede voetballers leuk zijn om naar te kijken maar daarmee nog geen ‘helden,’ dat nationaliteit geen verdienste is maar toeval, en dat het grof onrecht doet aan de idealen, hoe naïef ook, van de generatie waartoe mijn ouders behoorden wanneer je beweert dat de Europese eenwording bedoeld is geweest om oorlog te voeren in plaats van om de vrede te verzekeren.

Ik ben niet alleen een zoon van mijn moeder, die gezworen had in de Rijn te zullen springen als haar zonen een uniform zouden dragen. Maar net zo goed van mijn vader, die er vrijwillig één aantrok, zij het slechts om een weekje te oefenen op de hei. Dankzij hen heb ik twee nationaliteiten. Ik blijf geloven dat daardoor geen loyaliteitsconflict hoeft te ontstaan. Als we door het levend houden van de herinnering aan de vorige oorlog de volgende kunnen uitstellen is me dat wel wat onderhandelingen waard.

Voor de brieven en andere documenten heb ik mooie, stevige archiefdozen besteld. Ik heb de eettafel weer nodig en zo worden ze veilig bewaard tot een van mijn kinderen of kleinkinderen ze weer openmaakt en zich liefdevol verbaast.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.