Recensie

Recensie Boeken

Schmidt-poezen hebben nu grimmige tronies en wulpse staarten

Kinderboek Illustrator Sylvia Weve tekende heerlijk tegendraadse katten bij oude poezengedichten van Annie M.G. Schmidt. Staan haar teksten eigenlijk nog overeind, 25 jaar na haar overlijden?

Detail uit de tekening van Sylvia Weve bij 'De hertogin van Hotemetoot'
Detail uit de tekening van Sylvia Weve bij 'De hertogin van Hotemetoot' Illustratie uit besproken boek

Wat een uitstekend idee om Sylvia Weve een bundel poezen- en dierengedichten van Annie M.G. Schmidt te laten illustreren. Weves speelse tegendraadsheid en hang naar het karikaturale past Schmidts licht anarchistische fantasiewereld geweldig goed. In Miauw, miauw, miauw!, zoals de titel van de bundel luidt, valt bovendien op hoe dicht haar expressieve stijl en doeltreffende lijnvoering eigenlijk bij die van Fiep Westendorp liggen.

Vergelijk de exuberante hoed waarmee Weve ‘de hertogin van Hotemetoot’ uit het gelijknamige gedicht heeft getooid maar eens met de door Westendorp ontworpen weelderige hoofddeksels van de dames Groen uit Het schaap Veronica, de verzamelbundel vormvaste verzen uit de jaren vijftig over het schaap oftewel ‘jongejuffrouw’ Veronica, waarvan eindelijk weer een herdruk is verschenen. Eveneens opvallend is de gelijkenis tussen de poses en mimiek van de cartooneske figuren in beide boeken: de verwantschap van bijvoorbeeld Weves goedmoedige ‘jonkheer van Emmelebom tot Zuilen’ (met zijn wagentje vol uilen) en Westendorps bebrilde en fors geneusde dominee is moeilijk te missen.

Jaren vijftig

Dat betekent niet dat Miauw, miauw, miauw! en Het schaap Veronica vergelijkbare leeservaringen opleveren. De op de jaren vijftig geënte kneuterige huis-tuin-en-keukenavonturen (ganzenbordavondjes en theevisites) van de tuttige dames Groen, de paternalistische dominee en het ‘door innerlijke drang gedreven’ schaap, komen wat gedateerd over. Een dominee op zich maakt de verzen al enigszins moeilijk herkenbaar voor 21ste eeuwse lezers. Dat hij in een borstrok rondloopt, maakt dat er niet beter op.

Toch zou je Schmidt, die op 21 mei vijfentwintig jaar geleden is overleden, tekortdoen als je zegt dat de herdruk vooral voor de door nostalgie gedreven lezer is. De zesenzeventig verzen over de dartele Veronica die uit haar keurslijf wil breken, zijn autobiografisch en hebben binnen het oeuvre van domineesdochter Schmidt een bijzondere plek: interessant voor iedere Schmidtliefhebber. Daarnaast geeft de vrolijke opstandigheid van Veronica de bundel een zekere universaliteit, temeer daar ze wordt voorgesteld als een pratend dier. Het gedicht waarin de dominee voorleest over de wolf en zeven geitjes, heeft zelfs een verrassende actuele connotatie. Wanneer Veronica de dominee beschuldigt van onzinpraat, want geiten schuilen niet in een klok, staat er: ‘Wat drommel! riep de dominee, hier heb ik toch de feiten!/ Eh, zei het schaap Veronica, de feiten zijn niet goed.’

Kouwe kak

En Schmidt blijft nou eenmaal Schmidt, dus eigenzinnig gedrag zijn de poezen, mensen en andere dieren in Miauw, miauw, miauw! ook niet vreemd. Beroemd is natuurlijk de ‘dame in Bronk aan de Rijn’ die, conform Schmidts eigen wens, liever een kat had willen zijn. Of de nuffige francofiele kat van ome Willem die sinds zijn verblijf in Parijs alleen met een ‘Franse bak’ (‘Kouwe kak!) genoegen neemt. Ronduit gezagsondermijnend is de bijenkolonie in ‘Insectenbevolkingsregister’ die de bureaucratische dierentelling dwarsboomt: de koningin heeft geen zin, en ‘lopen in rijen,/ dat is niks voor bijen’.

In Miauw, miauw, miauw! dicht Schmidt haar dieren menselijke eigenschappen toe. En ook al hebben ze soms een naam, zoals Pepijn de kat, of het fantasiebeest Max Milanus Mormeldier, het blijven dieren. Dat maakt ze anno 2020 makkelijker benaderbaar (voor kinderen) dan Veronica, die eerder een excentrieke jonge vrouw met schaapachtig gedrag is, dan andersom. Daarbij geeft Weve, die nog net wat vrijer, wilder en gekker is dan Westendorp, de bundel een eigentijds aanzien. Haar grimmige kattentronies, wulpse poezenstaarten en brutale muizen die te pas en onpas over en van de bladzijden rennen, verlevendigen de teksten optimaal. En als het versje erom vraagt laat ze haar fantasie de vrije loop. De vernuftige ‘kattenverfmachine’ bij ‘Het poesje Pieternel’ springt terecht als eerste in het oog: zo maakt Weve ook de enkele wat brave, voortkabbelende Schmidt-gedichtjes bestand tegen bezwaren.