Opinie

Mooiste licht van het jaar

Dagboek Coronavirus

Stella en ik hadden een afspraak in de studio van onze bevriende architect Massimo. Het was een zakelijke afspraak, dus het was toegestaan. Ook achter de gesloten deur van zijn ruime kantoor hielden we alle drie onze mondkapjes op, zoals de wet voorschrijft. Na afloop gingen we koffie halen bij de bar van Pucci, die een afhaalpunt had geopend.

„De mensen hebben een gevangenis in hun hoofd”, zei Pucci door haar mondkapje heen. „Ze leven achter de tralies van hun eigen onzekerheid en angsten. Kijk hoe ze over straat lopen. Met elke stap zijn ze bang om iets fout te doen, om risico te lopen op besmetting of, erger nog, om een van de talloze regels te overtreden van de regeringsdecreten.”

Haar compagnon Giovanni knikte. Zijn masker ritselde over zijn baard. „Ik ben geboren en opgegroeid in Zuid-Amerika”, zei hij. „Ik heb een dictatuur meegemaakt. Maar zoiets als dit heb ik nog nooit eerder gezien.”

„Zie je dat licht?”, zei Massimo. Zoals een rossige glans zich met het verstrijken van eeuwen meester maakt van antieke vergulde lijsten, zo viel het strijklicht van de namiddagzon van mei over de pokdalige gevels van Piazza Soziglia. „Dit is het mooiste licht van het jaar. En wij staan onder huisarrest.”

Nu er meer mensen op straat zijn, is ook de absurditeit zichtbaarder. Lange tijd waren we veilig weggeborgen voor de nieuwe realiteit, maar nu we de stad opnieuw koloniseren met nieuwe angsten en voorschriften, beseffen we pas dat alles is veranderd.

Later ging ik naar het afhaalpunt van Deborah’s bar op Piazza delle Erbe. „Je moet overal op letten”, zei ze. „Houden de mensen wel afstand? Gebruiken ze de handgel wel? Dodelijk vermoeiend is het. Maar vandaag gaat het goed.” Ze lachte. „Jij bent tot nu toe mijn enige klant van vanmiddag.”

Schrijver Ilja Leonard Pfeijffer woont in Genua. Op deze plek schrijft hij over de impact die het coronavirus heeft op het leven daar.