Het gaat slecht met de insecten, ook op plekken waar meer groen is

Ecologie Het gaat slecht met het insect. Dat werd nog maar eens aangetoond in een grootschalig Europees onderzoek. En in de VS staat de sprinkhaan er slecht voor. Er is meer gras beschikbaar, maar de kwaliteit ervan neemt af.

Foto Getty Images

Dat het slecht ging met insecten, kwam niet als een verrassing – alarmsignalen waren er al volop. Uit onderzoek bij het Duitse Krefeld, net over de grens bij Venlo, was bijvoorbeeld in 2017 al gebleken dat zo’n 75 procent van de vliegende insectenbiomassa was afgenomen in minder dan dertig jaar tijd. In Nederland becijferde het CBS vorig jaar in samenwerking met De Vlinderstichting dat het aantal dagvlinders sinds 1990 is gehalveerd. En het aantal nachtvlinders kelderde zelfs in twintig jaar met meer dan 50 procent, bleek uit onderzoek in natuurgebied De Kaaistoep, bij Tilburg.

Maar dat de achteruitgang zó wijdverbreid was, had de Nederlandse entomoloog Roel van Klink – werkzaam bij het Duitse biodiversiteitsinstituut iDiv – niet verwacht. Uit een meta-analyse van 166 langetermijnstudies wereldwijd blijkt dat insectenaantallen op land in dertig jaar tijd met gemiddeld 24 procent zijn afgenomen. Dat percentage lijkt wellicht minder indrukwekkend dan bovengenoemde cijfers. Alleen: het onderzoek dat Van Klink met collega’s in april in Science publiceerde, is het grootschaligste in zijn soort tot nu toe. Het bevestigt dat de in West-Europa gemeten achteruitgang past in een mondiaal beeld. „Die Krefeld-studie lag aan de basis van ons onderzoek”, vertelt Van Klink. „We vonden het opmerkelijk dat de media op basis van die ene dataset al met dramatische krantenkoppen kwamen over een insectenapocalyps. Daar moest dan wel breder onderzoek naar worden gedaan, vonden wij. Eigenlijk verwachtten we überhaupt niet dat we een significante trend zouden vinden.”

De heldenbok, gaat achteruit in Nederland door het verdwijnen van oude eikenbossen.
Foto Getty Images
De wrattenbijter, gaat in Nederland achteruit door de afname van geschikte habitat (heide en droog schraal grasland).
Foto Getty Images
De knautiabij, gaat in Nederland achteruit door het verdwijnen van de waardplant beemdkroon.
Foto Getty Images

Die vonden ze wel. Of preciezer: ze vonden er twee. Want naast de afname van op land levende insecten signaleren Van Klink en zijn collega’s nog een opvallende, tegengestelde trend: in het water levende insecten zijn de afgelopen drie decennia juist met 34 procent toegenomen. Tegenover de jaarlijkse afname van bijna 1 procent bij de terrestrische insecten staat dus een toename van ruim 1 procent per jaar bij de aquatische insecten. De onderzoekers hebben beide groepen bewust apart geanalyseerd: omdat zoetwater slechts 2,4 procent van het aardoppervlak uitmaakt en omdat slechts pakweg één op de tien insecten aquatisch is, zou een gecombineerd model een vertekend beeld geven.

Rammelende statistiek

Eerdere meta-analyses, zoals begin 2019 nog een Australische studie, kregen veel kritiek te verduren vanwege rammelende statistiek. Maar het onderzoek in Science oogst tot nu toe juist lof vanwege de gedegen uitvoering. Van Klink: „We hebben er van tevoren speciaal op gelet dat we niet specifiek publicaties selecteerden waarbij sprake was van een achteruitgang in het aantal insecten – we wilden met een brede, onbevooroordeelde blik kijken.”

Hans de Kroon, hoogleraar plantenecologie aan de Radboud Universiteit en betrokken bij de Krefeld-studie, prijst de wijze waarop de auteurs van de Science-publicatie uit de wirwar aan data en onderzoeksmethoden toch significante trends hebben kunnen trekken. „Het is voor het eerst dat er op deze schaal, met deze kwaliteit, grootschalige conclusies over de insectenstand zijn getrokken.”

Dat de aquatische insecten toenemen in aantal, is volgens Van Klink vermoedelijk het gevolg van de verbeterde waterkwaliteit van de afgelopen decennia. „Dat wil niet zeggen dat die nu overal góéd is – er vindt nog steeds verontreiniging plaats, onder andere met stikstof.”

Veerkracht van de natuur

In Nederland lijkt het beeld niet eenduidig: decennialang namen waterminnende insecten zoals libellen in aantal toe, maar de afgelopen tien jaar dalen de cijfers juist weer. En ecoloog en statisticus Caspar Hallmann, die de Krefeld-data heeft doorgerekend, becijferde enkele jaren geleden de achteruitgang van insectenetende zangvogels in Nederlandse gebieden met hoge concentraties van het insecticide imidacloprid in het water. Van Klink: „Van plek tot plek kan het verschillen. Maar over het algemeen genomen is er wel een en ander verbeterd: het verbod op DDT, minder lozing van zware metalen…”

Ook Hans de Kroon beschouwt de toename van de aquatische insecten als hoopgevend. „Daaruit blijkt de veerkracht van de natuur. Soorten kunnen opkrabbelen als je de juiste randvoorwaarden creëert. Wel is dat in het water vaker makkelijker dan op land, omdat de systemen sneller doorspoelen. Terrestrische ecosystemen kunnen ook wel opveren, maar het duurt vaak langer voor alle vervuilende elementen weg zijn uit de bodem.”

In beschermde gebieden was de toestand niet eens zoveel beter

De achteruitgang van de op land levende insecten blijft zorgelijk. Pakweg een kwart daarvan is verdwenen, zowel wat betreft biomassa als wat betreft aantallen.

En dat terwijl er een overrepresentatie was van beschermde natuurgebieden in de Science-publicatie. De 166 onderzoeken die Van Klink en zijn collega’s meenamen in hun analyses omvatten 1.676 locaties, en ongeveer één op de drie daarvan was beschermd. De plekken met de sterkste verstedelijking en het meest intensieve agrarische landgebruik – waar een nog sterkere achteruitgang valt te verwachten – waren relatief ondervertegenwoordigd.

Van Klink: „Toch viel op dat de toestand in de beschermde gebieden niet eens zoveel beter was.” Dat zou mogelijk iets kunnen zeggen over de kwaliteit van die bescherming, of over de omvang van de reservaten: des te meer versnippering, des te groter de eventuele invloed uit omliggende gebieden.

Stijging in koude streken

De 24 procent betreft een gemiddelde, benadrukt Van Klink. „Tussen locaties zijn er soms flinke verschillen te zien.” Zo vertoont een deel van de onderzoeken die in boreale (noordelijke, koele) gebieden plaatsvonden juist een stijging in het aantal op land levende insecten. Van Klink: „In die gebieden leven insecten op de grens van hun koudetolerantie. Dus als het zo ver naar het noorden opwarmt door klimaatverandering kan bij die soorten een toename plaatsvinden.” En in enkele onderzoeken in tropische gebieden was een afname van het aantal aquatische insecten te zien. Dat zou erop kunnen duiden dat de waterkwaliteit in die gebieden achteruit gaat, zegt Van Klink.

In de Verenigde Staten en in sommige delen van West-Europa is de achteruitgang van op het land levende insecten het sterkst zichtbaar. Dat komt mogelijk ook doordat voor Afrika, Zuid-Amerika en Zuidoost-Azië maar een beperkte hoeveelheid data beschikbaar was. Van Klink: „In sommige gevallen is een langlopend onderzoek voortijdig stopgezet doordat bijvoorbeeld een grasland moest wijken voor een maisakker of voor een parkeerterrein. ‘Het parkeerplaatseffect’ noemen we dat – die gegevens kunnen we dan niet meenemen in onze analyse, omdat we niet weten wat er veranderd is. Terwijl zo’n habitatvernietiging natuurlijk juist ingrijpende gevolgen voor de soortenrijkdom kan hebben.”

Landgebruik, klimaatverandering, insecticiden: in de bovenstaande alinea’s zijn al diverse oorzaken genoemd die een invloed kunnen hebben op de grootschalige achteruitgang van insecten. Maar dé oorzaak is nog altijd niet boven water. De Kroon: „Het gaat vrijwel zeker om complexe interacties tussen verschillende factoren, waarbij het relatieve belang verschilt van plaats tot plaats. Hoe dat precies werkt is stof voor verder onderzoek.”

Krimpende sprinkhaanpopulaties

Amerikaanse biologen publiceerden in maart in PNAS een artikel dat nieuw licht kan werpen op de insectensterfte. Ellen Welti van de universiteit van Kansas ontdekte hoe de sprinkhanenpopulaties in het midden van de Verenigde Staten de afgelopen twee decennia met meer dan 2 procent per jaar afnamen, terwijl de biomassa van hun voedselbron, gras, verdubbelde. Dat klinkt tegenstrijdig, maar het hangt samen met een bekend principe: bij hogere CO2-concentraties groeien de planten sneller, terwijl hun voedingswaarde afneemt. Er ontstaat zo een tekort aan onder andere stikstof, fosfor, kalium en natrium in de plant – mineralen die voor insecten belangrijk zijn als voedingsstoffen.

De duinparelmoervlinder, gaat in Nederland achteruit door vergrassing.
Foto Getty Images
De maanwaterjuffer, gaat mogelijk door klimaatverandering achteruit in Nederland.
Foto Getty Images
Het tweestippelig lieveheersbeestje, gaat achteruit in Nederland door de opkomst van een exoot, het veelkleurig Aziatisch lieveheersbeestje.
Foto Getty Images

„Een eyeopener”, zegt Hans de Kroon over het onderzoek. „Als plantenecoloog kende ik het principe van CO2-verrijking wel, en ook het effect op herbivoren daarvan. Maar dat er zo’n duidelijk effect zou zijn op de aantallen sprinkhanen – die je als bladeters ook tot de herbivoren kunt rekenen – had ik me niet gerealiseerd.” Hij benadrukt dat het uitgestrekte Amerikaanse prairielandschap een heel eigen ecosysteem is, niet te vergelijken met het versnipperde landschap in West-Europa. „In Nederland kampen we natuurlijk met een stikstofprobleem van jewelste, dus daar zijn de verhoudingen in de planten weer heel anders. Te veel stikstof is óók niet goed voor de insecten. Maar dit onderzoek laat zien dat een juiste mineralenbalans cruciaal is voor het welzijn van insecten. En of die balans in West-Europa wel op orde is, en welke rol de toevoer van kunstmest daarin bijvoorbeeld speelt, weten we eigenlijk nog niet.” Interessant zou het zijn om ook de mogelijke invloed van mineralendepletie op de kwaliteit van het stuifmeel en de nectar te onderzoeken, zegt De Kroon. „Er is nu één langetermijnonderzoek waaruit blijkt dat de stuifmeelkwaliteit achteruitgaat, maar daar zou je meer van willen weten.”

Uitstoot drastisch verlagen

Ook Roel van Klink is onder de indruk van de PNAS-publicatie, en denkt dat het principe weleens wereldwijd van invloed kan zijn. „Je moet niet vergeten: er zijn veel meer bladetende insecten dan alleen sprinkhanen. Denk aan de rupsen van vlinders, of aan veel kevers… Welti heeft sterke aanwijzingen gevonden voor een verminderde voedselkwaliteit als gevolg van de verhoogde CO2-concentraties. En het zorgelijke is: dat effect kunnen we niet op korte termijn tenietdoen. Waar je met een beetje goede wil nog wel wat kunt sturen in de landinrichting en het gebruik van insecticiden, lossen we de uitstoot van broeikasgassen niet in één klap op. Zelfs als we die uitstoot nu drastisch verlagen, blijven de CO2-concentraties voorlopig hoog.”

Als de opwarming op deze manier een belangrijke rol blijkt te spelen in de achteruitgang van insecten, betekent dat alsnog niet dat we lijdzaam hoeven toe te kijken, benadrukken beide ecologen.

De Kroon: „Er zijn vele factoren – zoals landgebruik – die zeker óók een grote rol spelen en die wel zijn aan te passen. Daarmee zijn flinke stappen te maken in het voordeel van insecten.”