Recensie

Recensie Boeken

Licht op onze westerse preoccupaties

Geschiedschrijvers Een bloemlezing uit het prettige en leerzame leesvoer van historicus H.L. Wesseling laat zien hoe het menselijk streven naar vervolmaking vaak op een drama uitliep.

Munt van 1 franc met beeltenis van Charles de Gaulle. En munt van 50 Egyptische piasters met beeldtenis van Cleopatra.
Munt van 1 franc met beeltenis van Charles de Gaulle. En munt van 50 Egyptische piasters met beeldtenis van Cleopatra. Foto Getty Images

Twee jaar geleden stierven binnen één week de laatste twee historici van een soort dat niet meer bestaat. Ze schreven geschiedenis, voor de academie en voor het publiek. Dat was ook te merken op de afscheidsbijeenkomsten waar ze werden herdacht als historicus en als algemeen intellectueel. En dat was ook wat Henk Wesseling (1937- 2018) en Hermann Walter von der Dunk (1928- 2018) waren en wilden zijn.

Von der Dunk is inmiddels voornamelijk nog een naam (onder historici en intellectuelen), Wesseling is nog in beeld. Kortelings verscheen een bundeling van eerder geschreven werk van zijn hand. Want zijn geschiedschrijving, aldus Willem Otterspeer in zijn inleiding bij deze uitgave, is nog altijd een buitengewoon goede kennismaking met het oude koloniale en zelfbewuste Europa van de negentiende en twintigste eeuw. Het leert ons behartigenswaardig veel over onze westerse preoccupaties.

Het Westen bezette Afrika om het continent dat volgens de filosoof Hegel buiten de geschiedenis viel in de geciviliseerde wereld op te nemen. En bij die beschavingsmissie was niets te gek. Zo blijkt bijvoorbeeld uit het verhaal over de Schotse avonturier William Mackinnon die Indiase werkolifanten naar Oost-Afrika transporteert om hun verwilderde soortgenoten te leren zich nuttig te maken als rijdier. Het verhaal wordt door Wesseling verteld in Verdeel en heers, waarin hij ook nog fijntjes opmerkt dat alle geïmporteerde olifanten vlak voor de kust verdronken, opdat de lezer duidelijk wordt dat het menselijk streven tot vervolmaking dikwijls op een drama uitloopt.

Hoofdspoor

Het voor ons gevoel absurde, maar voor de tijdgenoten heel vanzelfsprekende loopt als een hoofdspoor door Wesselings geschiedschrijving. Het is ook in deze bundel terug te vinden. Als hij schrijft over de tragedie van ’14-’18, legt hij uit dat deze mogelijk was omdat ‘oorlog een optie was, een levenswet, iets onvermijdelijks in de geschiedenis, een instrument van politiek’. Als hij de vooravond van die Grote Oorlog behandelt, noemt hij de eraan voorafgaande schermutselingen op de Balkan ‘een periodiek verschijnsel, zoiets als de opening van het visseizoen’. En als hij De Gaulle portretteert, schrijft hij dat diens neus in de twintigste-eeuwse geschiedenis van Frankrijk net zo’n factor was als de neus van Cleopatra in de late Oudheid.

Dat Wesseling zo kan schrijven: onderhoudend, met gevoel voor anekdotiek en met het vermogen de historie op z’n staart te trappen, is geen toeval. Wesseling staat, net als Von der Dunk, in een traditie van vertellers en uitleggers. Want er was een tijd dat historici Nederland in het openbaar les gaven. Als duider en als essayist. Historici als Jan Romein (1893-1962, intelligent marxist), Jacques Presser (1899-1970, socialistisch humanist) en Pieter Geyl (1887-1966, links liberaal anti-marxist) beschikten over een geordend wereldbeeld om voor of tegen te schrijven. Het land, met net een oorlog voor of achter de kiezen, had daar behoefte aan, en zijzelf ook. En ze waren het gewoon te doceren. Als ze een stuk schreven, keek het publiek altijd over hun schouder mee. Niet alleen de vragen en de zorgen van de vakhistoricus, maar ook die van de denkende burger scherpten hun artikelen. En het geruststellende was: ze wekten de indruk dat ze zagen waar het naartoe ging of juist niet naartoe moest gaan.

Die ideologische stelligheid, de generatie vóór hem eigen, ontbeert Wesseling. Maar wat bleef is het air van de historicus die begrijpt hoe de wereld in elkaar steekt. Evenzo erfde hij het vermogen om met de ogen van de algemeen ontwikkelde lezer naar zijn onderwerp te kijken. Niet de kennis maar de verbazing regisseert zijn geschiedschrijving.

En dat is precies wat de artikelen van Wesseling tot zulk prettig en leerzaam leesvoer maakt. Welbeschouwd is hij onze nationale geschiedenisleraar. Wesseling wil de lezer laten zien ‘hoe ogenschijnlijk dwaas en onbegrijpelijk het werkelijk geweest is’, en laat de feiten veelvuldig spreken. Zijn werkwijze is even simpel als doeltreffend: de historische ambachtsman wordt telkens aangenaam onderbroken door de algemeen intellectueel, de leraar die zijn klas voor ogen heeft. En – niet onbelangrijk – hij probeert af te tasten waar het heen gaat. Dat alles maakt hem tot de gids die we in zijn tocht door het verleden graag willen volgen.

Reisgids door het verleden

Bij de gelijktijdig bij dezelfde uitgever verschenen cultuurhistorische opstellen van de Groningse historicus Klaas van Berkel zijn de wegen wat minder lichtvoetig te betreden. Zijn boek is meer een reisgids door het verleden voor gevorderden en Van Berkel is ook meer de gids met een wat zwaardere tred.

Van Berkel schrijft intellectuele geschiedenis – portretten van culturele en historische figuren als de achttiende-eeuwse anti-Amerikanist en filosoof Cornelis de Pauw, de wetenschapshistoricus E.J. Dijksterhuis en de Amerikanist en dichter J.W. Schulte Nordholt. Allemaal intellectuelen met een roeping, die meer wilden dan vrijblijvend wetenschap bedrijven, en als zodanig voorbeelden zijn uit een voorbije tijd voor de huidige vaak veracademiseerde geleerden.

Van Berkel beschrijft zijn hoofdfiguren gewetensvol en scherpzinnig. In zijn portret van socioloog en bestsellerschrijver P.J. Bouman (een soort Geert Mak van de jaren vijftig) analyseert hij treffend hoe diens ooit nationaal-socialistische wereldbeeld zachtjes mee marcheert in de historische geestelijke zelfhulpboeken voor de ontheemde mensen van zijn tijd zoals Van Renaissance tot Wereldoorlog. Zijn schets van de historicus Arie van Deursen (1931-2011) openbaart hoe juist zijn zwaar gereformeerde achtergrond zijn geschiedschrijving dat cultuurkritische extra geeft dat het betekenisvol en pittig maakt. En als hij Huizinga’s zorgen over de massasamenleving van de jaren dertig, beschreven in zijn boek In de schaduw van morgen, beschrijft, laat de auteur zien dat al diens klagen voortkomt uit fundamenteel onbegrip voor zijn eigen tijd, maar dat zijn analyse er desondanks toch toe deed.

Maar ook al kijken Van Berkels figuren juist buiten de academie, de auteur blijft er in zijn schrijven zelf binnen. Zijn opstellen zijn zogezegd wat het zijn: opstellen oftewel prettig geschreven, uitgebreide overzichten.

Geschiedschrijving als openbare denkoefening. Dat is ook een traditie van het vak, die gekoesterd mag worden. De historicus die in essays voor ons op verkenning uit gaat, mogen we daar meer van? Von der Dunk – de wat zwaarder op de hand zijnde evenknie van Wesseling – trok onversaagd het mijnenveld van het verleden in, niet bang om zich te beschadigen. Wellicht kan Wesselings uitgever, die ooit ook Von der Dunk uitgaf, diens beste korte stukken bundelen. Als eerbetoon aan de historicus die de polonaise beschreef als meest kenmerkend voor ons Nederlandse ‘buitengewoon diepzittende antihiërarchische sentiment’. En als hommage aan het genre.