‘Ik kan dingen die anderen niet kunnen’

Dit ben ik Iedereen heeft verschillende identiteiten. Hoe worden we wie we zijn?

Deze week: Kaltumo Ali (23), geboren in Leeuwarden maar thuis in Presikhaaf.

Kaltumo Ali.
Kaltumo Ali. Foto Dieuwertje Bravenboer

‘Ik zie mezelf als een Somalische Nederlander, een Arnhemmer, maar bovenal als een Presikhaver. Presikhaaf is míjn wijk. Ik ben geboren in Leeuwarden, maar ik woon hier sinds mijn vijfde. Deze wijk heeft mij mede gemaakt tot wie ik ben.

„Presikhaaf wordt wel een achterstandswijk genoemd. Maar zo voelt dat voor mij niet. De jongeren hier houden elkaar in de gaten, spreken elkaar aan als het mis dreigt te gaan, trekken elkaar omhoog. We zijn een voorbeeld voor elkaar. Als er iemand via vmbo naar mbo naar hbo gaat, dan denkt een ander: hé, dat kan ik ook.

„We hebben veel geluk met de jongerenwerkers in de wijk. Die zijn heel actief en heel goed. Zelf ben ik ook actief. Ik werk mee aan een coronahulplijn. Ik richt me op de Somalische Nederlanders. Als ze slecht Nederlands spreken, vertaal ik. Vaak spreken ze goed Nederlands, maar willen ze gewoon extra informatie en uitleg.

„Natuurlijk gaat het niet goed met álle jongeren. Jongeren die niet de kans grijpen die ze krijgen, hou je altijd. Maar dat zijn echt uitzonderingen. Het zou raar zijn als alle jongeren uit een wijk daardoor een stempel krijgen.

„Ik vind het jammer dat Somaliërs vaak slecht in het nieuws komen. Alsof ze allemaal slecht Nederlands spreken en een uitkering hebben. Dat is niet zo. De eerste generatie heeft het lastig – dat is ook logisch. Zij moesten hun leven opnieuw opbouwen in een onbekend land. De jongeren van Somalische afkomst die ik ken, doen het heel goed. Je ziet datzelfde bij de kinderen van Marokkaanse en Turkse gastarbeiders. Hun kinderen en kleinkinderen zijn goed opgeleid.

„Somaliërs zijn ook heel verschillend. Mijn ouders vinden school superbelangrijk. Ik ben de middelste, met twee oudere en twee jongere broers. Máák iets van je leven, zei mijn moeder. Volgens mij kreeg ze dat ook van háár ouders mee.

„Mijn ouders vluchtten in 1992 uit Somalië. Ze hadden nog nooit sneeuw in het echt gezien. Inmiddels wonen ze langer in Nederland dan in Somalië. Nederland is ook voor hen thuis.

„Op de basisschool was ik me eigenlijk niet echt bewust van mijn kleur. Het was daar een mengelmoes van kinderen van Turkse, Marokkaanse, Somalische en andere afkomst. Daardoor was het geen issue. Vrijwel iedereen was ook moslim, dus met het Suikerfeest was de hele klas leeg. Dat was helemaal geen punt van discussie.

„Pas op de middelbare school, buiten de wijk, werd dat anders. Toen was ik opeens het enige donkere meisje in de klas. Ik zag dat niet heel Arnhem gemengd was zoals Presikhaaf. Ik was, met nog twee Turkse meisjes, anders. Mijn klasgenoten dachten dat ik ook van Turkse afkomst was. Ze zagen ons als één pot nat. Ik vond dat heel gek. Een klasgenote had nog nooit van moslims gehoord.

„Ik kreeg een soort dubbelrol. Als er negatief over moslims werd gesproken, had ik het gevoel dat ik hen moest verdedigen. Als er gediscussieerd werd over Zwarte Piet, dan werd er ook naar mij gekeken op een manier van: wat vind jíj daarvan?

„Vrienden van mij zeggen dat ze zich door hun migranten-afkomst voortdurend extra moeten bewijzen. Maar hoe ouder ik word, hoe meer ik mijn afkomst als een pluspunt ben gaan beschouwen. Ik kan dingen die anderen niet kunnen. Ik spreek naast Nederlands een tweede taal vloeiend. Ik weet natuurlijk hoe Nederlanders leven en denken, maar ik weet dat ook van de Somaliërs.

„Ik studeer rechtsgeleerdheid. Ik ben bijna klaar met mijn bachelor. Ik koos voor die studie omdat ik rechtvaardigheid belangrijk vind. Lang niet iedereen kan voor zichzelf opkomen. Voor die mensen wil ik me graag inzetten. Tijdens mijn master wil ik me specialiseren in migratie- en Europees recht. Dat internationale trekt me. Ik zie wel een baan voor mij bij Buitenlandse Zaken bijvoorbeeld.

„Voordat ik naar de universiteit ging, deed ik een jaar rechten op hbo-niveau. De docent die mijn motivatiebrief beoordeelde, zei dat ik de opleiding heel moeilijk zou gaan vinden. Mijn studiebegeleider dacht dat ook, zei ze. Ik dacht: waarop baseren ze dat? Ze kennen me niet. Ik ben met de opleiding begonnen en haalde het eerste half jaar alleen maar achten. De studiebegeleider was toen zo eerlijk om te zeggen: ‘Je hebt ons echt een poepie laten ruiken.’”