Historische vloot dreigt door corona te kapseizen

Oude Schepen De ‘bruine vloot’ van Nederland wordt bedreigd. Want nu de schippers vanwege corona niets verdienen, kunnen de schepen hun historische certificaten verliezen. „Als de schipper failliet gaat, dan gaat het schip mee.”

Tallship de Oosterschelde ligt door corona noodgedwongen aan de kade in Rotterdam.
Tallship de Oosterschelde ligt door corona noodgedwongen aan de kade in Rotterdam. Foto Walter Herfst

Ze is al 103 jaar oud, overleefde een aanvaring met een zeemijn in 1943, voer tijdelijk onder Deense en Zweedse vlag, veranderde van vrachtschip in passagiersschip, zeilde als eerste schip ooit om Kaap Hoorn, en deed Schotland, Spitsbergen, Kaapverdië en Antarctica aan.

Niets kreeg de majestueuze Oosterschelde klein, het varende paradepaardje van Nederland, dat iedere vijf jaar de harten van bezoekers steelt op SAIL Amsterdam. Dat wil zeggen: tot corona, want nu ligt ze stil. De pandemie bedreigt honderden historische schepen in hun voortbestaan.

Zelf de broek ophouden

Nederland heeft de grootste, nog varende historische vloot ter wereld. De ‘bruine vloot’, bestaande uit zo’n driehonderd tjalken, klippers en aken, verzorgt familieweekenden, bedrijfsuitjes en schoolkampen op de Nederlandse binnenwateren. De grote tallships varen met toeristen de hele wereld rond.

De manier waarop deze schepen behouden blijven, is wereldwijd uniek; ze zijn geen varend erfgoed, maar worden commercieel geëxploiteerd door ondernemers in de chartervaart. Daardoor zijn deze oude schepen nooit verworden tot stilliggende museumboten, maar bleven ze varen. Vijftig jaar lang werkte dat ondernemersmodel uitstekend, tot nu, aldus branchevereniging BBZ.

Een enkel tallship is momenteel nog als leeg schip bezig Nederland te bereiken, zoals de Tecla en de Bark Europa, die terugvaart vanuit Argentinië en die al weken geen haven meer binnen kwam. Als ook die weer ‘thuis’ zijn, ligt alles definitief stil in de Nederlandse havens. In ieder geval tot september zijn de agenda’s van schippers en boekingskantoren leeg, ziet branchevereniging BBZ. Dat brengt hen in grote financiële problemen.

„Reizen gaan niet door en mensen willen hun aanbetaalde geld terug”, vertelt Paul van Ommen, directeur van de branchevereniging. „Maar dat geld is er niet meer, want daarvan betaalden schippers in de winter het onderhoud aan het schip.” Met name de binnenvaartschepen komen net van de werf. „In onze sector gaan de kosten echt voor de baten uit.” Maar de baten zijn er dit jaar niet, en Van Ommen vreest dat de eerste faillissementen dichtbij zijn. Dat is niet alleen een persoonlijk drama voor de schipper, maar ook voor de toekomst van het schip.

Geen certificaten: historie verloren

„Als ondernemers nu omvallen, is er niemand om het schip over te nemen, want de hele markt ligt stil”, legt Van Ommen uit. Maar een historisch schip kan volgens hem niet stilliggen zonder dat iemand ernaar omkijkt, dan raakt het „uit keuring”. Als schippers niet continue investeren in hun schip, verliezen ze de tientallen certificaten – voor masten, zeilen, tuigage – waarover ze volgens Europese veiligheidseisen moeten beschikken om als historisch schip met passagiers te mogen varen.

Eenmaal verlopen kunnen die certificaten niet opnieuw gehaald worden. Het schip zal dan omgebouwd moeten worden volgens de eisen van deze tijd, en terug in de vaart komen als een nieuw schip, waarmee de historie verloren gaat. „In de chartervaart hangt het onderhoud van de schepen vast aan de ondernemer”, aldus van Ommen. „Als die nu failliet gaat, verliezen we het schip voor altijd.”

Een historisch schip kan niet stilliggen zonder dat iemand ernaar omkijkt, want dan raakt het ‘uit keuring‘

Cockie Schilperoort (55) loopt op haar gemakje in de zon richting de haven van Muiden, waar haar ‘kleine’ tjalkje De Verwisseling, van 23 meter, haar opwacht. Daar neemt ze het schip geduldig en minutieus onder handen. Eerst een laagje roestwerende verf, dan de grondverf, en daarna de ‘goede’ kleur, die hoort bij het traditionele scheepje uit 1924. „Het schip blinkt je tegemoet”, zegt ze lachend. „Ik heb nu toch alle tijd.” Al sinds vorig jaar oktober heeft De Verwisseling niet meer gevaren. Veertien mensen kunnen aan boord slapen, twintig kunnen mee voor een dagtocht over het IJselmeer of het Markermeer. Nu is de agenda van Schilperoort „maagdelijk wit”, minstens dit hele seizoen, vreest ze. Haar tijd steekt ze in de boot, om haar gedachten te verzetten én om het schip te redden van de ondergang.

Liefde en ongesubsidieerd onderhoud

Hetzelfde geldt voor Wilfred Spaargaren (42), eigenaar van De Súdwester, een tweemastklipper uit 1912, en Joost Martijn (43), eigenaar van twee klippers en een tjalk, alle meer dan honderd jaar oud. Voor de schippers is weglopen van het schip nu geen optie. „Zo’n oud schip heeft altijd onderhoud en liefde nodig”, vertelt Spaargaren. „En we worden daar niet voor gesubsidieerd, zoals collega’s in het buitenland. Wij bedruipen ons met hard werken, veel tochten varen, en zelf dat schip onderhouden.” Spaargaren en veel collega’s hebben zelfs in de winter een tweede baan om hun boot te kunnen onderhouden.

Pouwel Slurink, eigenaar van boekingskantoor NAUPAR, bemiddelt voor tachtig scheepseigenaren en ziet hoe zwaar zij het hebben. „De meeste schippers zitten nu in de bijstand”, zegt hij. „Daar kun je van eten en drinken, maar als je nu ook je tuigage moet laten keuren, krijg je een rekening van 3.000 euro. Dat kunnen ze nu niet betalen, maar ze doen het toch.”

Hoewel Martijn nu soms zou willen, is stoppen met investeren in zijn drie boten geen optie. „Die schepen heb je, daar moet je voor blijven zorgen. Ik kan niet even een andere baan zoeken in de tussentijd.” Spaargaren vreest intussen voor een financieel én emotioneel drama. „Schippers hebben alles voor die boten over, maar het houdt straks een keertje op.”

Tallship de Oosterschelde Foto Walter Herfst

Met de teloorgang van de schepen vrezen de scheepseigenaren ook voor het voortbestaan van de rest van het nautische systeem dat Nederland wereldwijd op de kaart zet: de mastenmakers, zeilenmakers, touwslagerijen. Het ambacht en de kennis bestaan bij gratie van de nog varende schepen, en bedienen een wereldwijde markt. Wat blijft daar nog van over als de schepen verdwijnen?

Scheepseigenaar Gerben Nab van de Oosterschelde vertelt trots hoeveel zeelieden van over de hele wereld op zijn schip worden opgeleid, van matroos naar stuurman tot kapitein. „In Nederland hebben we de kennis en het vakmanschap om deze schepen te bouwen én te varen”, vertelt hij. „Over mijn eigen schaduw kan ik heen stappen, maar als dat héle systeem straks instort, dan zou ik dat vreselijk vinden.”

Voor financiële steun hoeft de sector bij de bank niet aan te kloppen, weet Van Ommen van de branchevereniging. „Deze markt is zo marginaal, het is bepaald geen vetpot. De schipper vindt dat prima, die leeft voor dat schip, maar voor een lening bij een bank is het niet rendabel genoeg.” De sector hoopt daarom dat de overheid inziet dat met hulp aan de ondernemer het schip gered kan worden.

Ondertussen wordt hard nagedacht over een anderhalvemetermodel waarmee de boten weer het water op kunnen, maar dat valt nog niet mee. „Het is geen terras waar je de tafeltjes even wat verder uit elkaar zet”, verzucht Nab van de Oosterschelde. „Misschien moet ik intussen maar verliesdraaiend gaan varen, met een lege boot. Dat kost iedere dag geld, maar varen is het middel om deze schepen te laten bestaan. Dat is het beste voor het schip.”