Reportage

Het virus raast door de Amerikaanse vleesfabrieken

Vleesindustrie VS Bijna een op de vijf werknemers in de vleesindustrie in de VS heeft corona. Fabrieken vallen stil en schappen raken leeg. In het vleesstadje Columbus Junction, Iowa, zijn hele families besmet. Wie offert zich op om de economie te laten draaien?

Maria Gonzalez videobelt met haar vader, maandag in Columbia Junction, Iowa. Hij, oud-werknemer in de vleesfabriek, is besmet. Achter Maria werkt haar moeder een traan weg.
Maria Gonzalez videobelt met haar vader, maandag in Columbia Junction, Iowa. Hij, oud-werknemer in de vleesfabriek, is besmet. Achter Maria werkt haar moeder een traan weg. Foto Youngrae Kim

Varkensboer Larry Miller staat te wachten in de deuropening van Hogwash – wat zowel ‘varkenswasserij’ als ‘flauwekul’ betekent – tot zijn truck is schoongespoten. „De stress moet eruit”, zegt hij. We staan uit de wind, anders zou de zware, zure lucht van ammoniak ons de adem benemen. Een paar uur geleden reed Miller – een sikje van peper en zout, een tangetje in een holster aan zijn riem – over de Iowa-rivier en sloeg hij af bij de ‘Vee Ingang’ van de Tyson Foods fabriek aan de overkant. Daar heeft hij zo’n dertig varkens afgeleverd. Tegen de tijd dat Miller zijn truck weer door de poort naar buiten reed en de wasstraat van Hogwash in stuurde, zijn de dieren dood, gevild, versneden en misschien al ingepakt ook. „Ze gaan erin als hogs, ze komen eruit als pork.”

Columbus Junction: een Elm Street, een Oak Street, een Walnut Street en een Main Street in het oosten van Iowa. Er wonen ruim 1.800 mensen en bijna iedereen, zegt Maria Gonzalez, is verbonden aan de vleesverwerkende fabriek van Tyson even buiten het plaatsje. „Je werkt er zelf, of iemand uit je familie werkt er, je kinderen gaan naar school met kinderen van Tyson-arbeiders.” Gonzalez (40) – moeder van zes kinderen, grootmoeder van drie – heeft er zelf zeven jaar gewerkt. Drie jaar „aan de lopende band”, hammen uitbenen. Ze maakt U-vormige messteken in de lucht. Altijd uitkijken dat je niet uitgleed over het vet en het water op de vloer. Dertien dollar per uur – „zwaar werk, goed loon”, vindt ze.

Er is nog een ander, recenter verband tussen Columbus Junction en Tyson Foods: het Covid-19-virus. Dit is relatief het zwaarst getroffen district in Iowa, en een van de ernstigste brandhaarden van de Verenigde Staten: 279 besmettingsgevallen op een bevolking van ruim 11.000. Het overgrote deel van die gevallen (221) werd vastgesteld onder personeel van Tyson. Toeval? Black Hawk County, zo’n 200 kilometer naar het noorden: 1.396 gevallen op een bevolking van 131.000. Daar staat in Waterloo een Tyson-fabriek met zo’n 3.000 werknemers. Van hen bleken er 444 besmet. In vier vleesverwerkende fabrieken in Iowa zijn tezamen 1.653 werknemers besmet geraakt. In een enkele fabriek in South Dakota waren het er 853.

Het lijkt niet veel misschien, afgezet tegen de 1,26 miljoen bevestigde Amerikaanse gevallen, maar de concentratie is opmerkelijk. In de VS is ongeveer 0,3 procent van de totale bevolking besmet. Onder werknemers in de vleesverwerkende industrie is dat gemiddeld 18 procent.

Op de coronakaart vallen eerst de grote cirkels rond de miljoenensteden op. New York, Chicago, New Orleans, Miami, Los Angeles. Maar dat zijn absolute aantallen op plekken waar nu eenmaal veel mensen wonen. Intrigerender zijn de kleine stippen in staten als Idaho, Georgia, Texas of Iowa. Als je daarop inzoomt, zie je soms relatief absurd hoge aantallen. Meestal bevindt zich daar een zwaar getroffen verzorgingshuis, een gevangenis met een uitbraak of een vleesfabriek, zoals in Columbus Junction.

Dampende bonen

Twaalf uur ’s middags en Maria Gonzalez zit achter een schotel dampende bonen in restaurant Antojitos Carmen aan de spookachtig lege Main Street. Sinds een paar weken helpt zij haar moeder bij het bestieren van haar restaurant. „Normaal gesproken is het op dit tijdstip zo druk, dat ik zelf pas tegen drie of vier uur kan lunchen”, zegt ze. „Maar sinds de lockdown komt er overdag haast niemand.” Rond vijf uur, als de fabriek uitgaat komen de arbeiders voor hun afhaalmaaltijden, dat is het enige dat restaurants nog mogen verzorgen.

Haar moeder Carmen staat achter het fornuis, haar vader ligt op de intensive care in Iowa City. De hele familie, tot en met de schoonfamilie, is besmet geraakt met het Covid-19-virus. Het begon met Maria’s echtgenoot, een onderhoudsmedewerker bij Tyson Foods. Op 29 maart had hij een akelig ongeluk op het werk: hij verloor de topjes van twee vingers aan een zaag. Hij kwam thuis uit de eerste hulp en kreeg later koude rillingen. Vast de medicijnen die uitgewerkt raken, dachten ze. Maar toen belde iemand van Tyson Foods: bij een andere onderhoudsmedewerker was het virus vastgesteld. José Gonzalez moest zich laten testen en zijn vrouw ook. Zij had last gekregen van hoofdpijn en spierpijn. In het ziekenhuis viel de test positief uit. Vlak daarna sloot Tyson de fabriek. Er waren te veel werknemers ziek.

Maria Gonzalez prijst de directeur van Tyson Foods. Hij zorgde dat de werknemers een zorgverzekering hebben. Ze zou er zo weer willen werken

Hun kinderen kregen het virus, hun ouders later ook. Ruim een maand later is bijna iedereen helemaal opgeknapt, behalve vader Gonzalez. Die ligt in het ziekenhuis aan de beademing. Hem bezoeken mag niet. Eens per dag voeren Maria en Carmen een Zoom-gesprek met hem in zijn ziekbed. „¡Hola papí! ¿Cómo estás?”, vraagt Maria als ze verbinding heeft. Haar moeder veegt de tranen uit haar ogen. „Hij is zo mager.”

In de eerste plaats hoopt ze dat haar vader gezond thuiskomt. Maar dan hangt er nog een schaduw over de toekomst. Haar ouders hebben als ondernemers geen ziektekostenverzekering. Te duur. En nu ligt haar vader al drieënhalve week in het ziekenhuis. Vorige week kregen ze de rekening voor de coronatest van Maria’s echtgenoot: 190 dollar. „Ik houd mijn hart vast voor de rekeningen voor mijn vader.”

Zaligverklaring van het vlees

Dan zijn er de vrijwel stilgevallen inkomsten uit het restaurant en de razendsnel gestegen vleesprijzen. „Mijn moeder kocht deze week vijf kilo biefstuk: 103 dollar.” Komen ze niet in aanmerking voor noodhulp van de overheid voor kleine bedrijven? „Komen we daarvoor in aanmerking”, herhaalt Gonzalez. „Ik zou niet weten waar ik dat moest aanvragen.” Gelukkig dat de vleesfabriek twee weken geleden is heropend, zegt ze. Heeft haar man ten minste weer een inkomen, 25 dollar per uur.

Overal in de VS zijn vleesfabrieken gesloten. De dicht op elkaar werkende arbeiders aan de lopende band, bleken elkaar razendsnel aan te steken. Soms nam de directie zelf het besluit. Soms, zoals in Waterloo, een paar honderd kilometer noordelijker, sloot de fabriek pas onder druk van de bevolking en de lokale overheid. De Republikeinse gouverneur Kim Reynolds van Iowa is ongeduldig om de economie weer op gang te krijgen en wil de fabrieken open houden. Reynolds heeft zich ten slotte neergelegd bij het standpunt van burgemeester en sheriff in Waterloo.

De familie Gonzalez. In het midden: vader Gonzalez aan de beademing.


Foto’s Youngrae Kim
Een slachtvee-truck in Columbia Junction, Iowa, waar ca. 1.800 mensen wonen.

De sluiting van de vleesfabrieken heeft de productie een flinke knauw gegeven. De topman van Tyson Foods waarschuwde vorige week in een advertentie voor het ‘breken van de voedselketen’. President Trump besloot het vlees zalig te verklaren en verhief bij decreet de vlees-industrie tot essentieel werk. De fabrieken mógen dus feitelijk niet meer dicht – waarmee het volle gewicht van de epidemie op de werknemers valt.

Maar zelfs als ze open zijn gebleven of weer open zijn gegaan, dan hebben beschermende maatregelen de productie drastisch vertraagd. Na wc-papier, mondkapjes en handgel wordt dus ook vlees schaars. De gekoelde schappen in de supermarkten vertonen grote gaten: er liggen misschien nog vijf van de gebruikelijke twintig soorten bacon. Als er ’s ochtends een paar angus steaks worden aangevoerd, zijn ze voor het middaguur de winkel uit. Supermarktketen Kroger heeft een hamsterlimiet ingesteld: twee stuks varkensvlees, twee stuks kip per klant. Sommige vestigingen van hamburgerketen Wendy’s serveren geen hamburgers meer. In een land waar de vleesconsumptie tot de hoogste ter wereld behoort – Amerikanen eten gemiddeld per jaar ruim 98 kilogram vlees, zo’n twintig kilo meer dan Nederlanders – is dat een nationale ramp.

Lees ook: Komt er meer honger? En andere vragen over een dreigende voedselcrisis

De vleesindustrie is zo ook het brandpunt van het centrale dilemma van deze crisis. Wat offer je op als je in quarantaine gaat? Wie offer je op als je de economie laat draaien?

„Ik vond het wrang om te horen dat deze werknemers ‘essentieel’ waren.” Maria Gomez, een belastingadviseur van 34, geeft in haar vrije tijd les aan de migranten die bij Tyson Foods werken. En er werken eigenlijk alleen maar migranten, zegt ze. Vooral veel Mexicanen, maar sinds een jaar of acht is daar een contingent Birmese arbeiders bijgekomen, gevluchte christenen uit de Chin-bergen. En dan zijn er de mensen uit Congo. De meesten van hen forenzen nu nog dagelijks vanuit Iowa City, maar drie families zijn onlangs naar Columbus Junction verhuisd. „Misschien krijgen we hier binnenkort ook een Afrikaanse winkel”, zegt bibliothecaresse Mandy Grimm (36), die ook een inburgeringscursus geeft. „Immigranten doen altijd het laagste en zwaarste werk, in de fabriek, op het land, op de boerderij”, zegt Gomez. „Voorheen dacht niemand aan ze en nu zijn ze ineens essentieel. Daar was dus een epidemie voor nodig.”

Historicus Shel Stromquist van de universiteit van Iowa, gespecialiseerd in de geschiedenis van de arbeidersbeweging, zegt door de telefoon dat de werkgevers bewust onder immigranten naar arbeiders werven. Hij ziet de geschiedenis van de vleesverwerkende industrie als een lange ontwikkeling van geschoold slagerswerk naar werk waarin de arbeiders in feite verlengstuk zijn van een scherp afgestelde machinerie. „Vroeger waren de slagers de baas. Rond 1900 haalden de grote vleesbedrijven ongeschoolde migranten uit Oost-Europa de slachthuizen in. Afhankelijke, inschikkelijke werkkrachten.” Na een periode waarin vakbonden sterke invloed hadden op de meat packers – die vooral werd aangewend om de snelheid van de lopende band te matigen – is die invloed in de jaren tachtig en negentig afgenomen.

De verplaatsing van vleesfabrieken van grote steden als Chicago naar het platteland van Iowa en Minnesota hing samen met het verlangen de macht van de vakbonden te breken, zegt Stromquist. „In onze tijd is het alsof we weer terug zijn rond 1900. De bedrijven hebben nieuwe groepen migranten gevonden, dit keer buiten Europa. En het zijn weer mensen die genoegen nemen met karig loon en die geen traditie van vakbonden kennen. Het verloop onder het personeel is zo hoog, dat ze de tijd niet hebben om zich te organiseren.”

Een kuiltje onder zijn voeten

Nee, een vakbond hebben ze niet bij Tyson Foods in Columbus Junction, erkent Maria Gonzalez. Maar zij prijst de directeur. Hij heeft ervoor gezorgd dat de werknemers een zorgverzekering hebben. Zij zou er zo weer willen werken. Haar laatste loon was er 19 dollar per uur en dat is vijf dollar meer dan haar salaris bij de kachel-installateur waar ze nu werkt.

Van Gonzalez, van Gomez, noch van Grimm zul je een kwaad woord horen over Tyson Foods. Ja, Maria Gomez is blij dat haar man er niet meer werkt. Elke dag kwam hij afgepeigerd thuis, met stijve spieren en de geur van bloed en vlees tot onder zijn nagels. „Hij is er acht jaar geleden weggegaan en nog kan hij niet al zijn vingers recht krijgen als hij zijn hand opent. Jarenlang heeft hij dezelfde bewegingen met het mes gemaakt. Hij zei weleens tegen mij: als je langskwam op mijn werk, dan zou je onder mijn voeten een kuiltje zien omdat ik altijd op dezelfde plek sta.” Maar zegt ze: „Tyson is wel een van de betere betalers onder de werkgevers.”

Grimm zegt dat het bedrijf veel extra dingen voor de gemeenschap van Columbus Junction doet. Het plaatsje organiseert een zomercursus voor de schoolkinderen, Tyson betaalt het busvervoer. Werknemers die zich opgeven voor de verplichte cursus voor hun naturalisatie, krijgen hun 725 dollar inschrijfgeld terug als ze zijn geslaagd. In 2019 zijn 115 migranten in Columbus Junction genaturaliseerd, zegt Grimm.

Shel Stromquist herkent het meteen. „Paternalistische steun, typische werkgeverstactiek. Ze geven steun aan de gemeenschap waar het henzelf uitkomt, om de mensen aan zich te verplichten. In plaats daarvan zouden ze gewoon de minimale sociale arbeidsvoorwaarden moeten scheppen. En helemaal nu: de veiligheid van deze mensen is in het geding.”

De realiteit in Columbus Junction is simpel, zo zeggen Gomez, Grimm, Gonzalez en ook burgemeester Mark Huston: zonder de Tyson Foods fabriek zal Columbus Junction niet overleven. De hele economische keten is er op afgestemd. Het hele plaatsje is ervan afhankelijk.

Lees ook deze analyse: De lage weerstand van de Verenigde Staten

Plastic gordijnen

Voor de fabriekshal van Tyson Foods zijn twee tenten opgesteld. Af en toe zie je er iemand in of uit gaan. Daar kunnen de werknemers nu eten en gepaste afstand bewaren, zegt Maria Gonzalez. „Eerst zat iedereen opgepropt in de kantine. Nu mogen er maar twee mensen aan een tafeltje en in het midden daarvan staat ook nog een plastic scherm.” Zij en Maria Gomez zijn allebei in de fabriek geweest sinds de heropening. Een groot verschil, vertellen ze. Als je binnenkomt, kijk je recht in het oog van een scanner die je temperatuur opmeet. Werknemers met verhoging komen niet binnen. Alle werknemers dragen handschoenen, mondkapjes en overjas. De mensen aan de lopende band hebben ook nog een helm met spatmasker. Iedere lopendeband-arbeider is van zijn buurman of -vrouw afgescheiden door plastic gordijnen. „Ik sprak Birmese en Mexicaanse werknemers”, zegt Gomez. „Die voelen zich veilig.”

Mandy Grimm zegt dat Tyson Foods het personeel heeft doorbetaald in de twee weken dat de vestiging was gesloten. „Ze keerden loon uit voor een werkweek van gemiddeld 36 uur. Meestal werk je hier 50 uur per week, dus het was een stuk minder. Maar toch.” Dit is een kleine gemeenschap, zegt Grimm. „Ondernemers die hun personeel niet betalen, daar zullen wij geen boodschappen meer doen. Iedereen ziet welke werkgevers hun winsten boven hun mensen plaatsen.”