Het Leidseplein in ‘Scheuren in het asfalt’

Literaire plekken Guus Luijters schrijft op gezette tijden over de literaire plekken van Amsterdam.

Tussen het einde van de jaren vijftig en het begin van de jaren zestig van de vorige eeuw bevindt zich een gaatje in de tijd, waarover niet zo heel veel is geschreven en waarover je maar zelden hoort. Het was een tijd van jeugdige bevrijding en verregaand individualisme, het had met jazz te maken en met poëzie, met koffiehuizen als cafés, maar ook met bromfietsen en rock-’n-roll.

Volgens Bert Hiddema in zijn Scheuren in het asfalt (1984) begon het op 4 november 1956 toen het Modern Jazz Quartet in Amsterdam speelde en de Russen Hongarije binnenvielen. Het einde van de periode is te dateren op januari 1964 toen I Want To Hold Your Hand van The Beatles een hit werd en het individu gretig opging in de massa. In Scheuren in het asfalt is het MJQ al passé en maken The Beatles pas op de laatste pagina hun entree, Hiddema’s staccato opgeschreven uitbarstingen lopen van 1957 tot 1960 schat ik.

‘Het epicentrum was het Leidseplein’, schrijft hij, daar ontmoetten ze elkaar, de Pleiners, hun buurt ontvlucht omdat daar niets te beleven viel, mager, vaak met ‘spillebenen door de hongerwinter’. ‘Op het Plein gebeurde het’, en ‘Jazz was het einde. Het bittere einde. Jazz was pikken, jatten, scharrelen, slimmer zijn dan de rest en niet bang zijn om voor gek te lopen. Jazz was het wielrennen van de muziek. Jazz was Westcoast. Jazz was Eastcoast. Jazz was cool. En hot!’

Hiddema vertelt in Scheuren in het asfalt mooie verhalen over tienerlevens, over meisjes van het naaiatelier, over moetjes en kinderhuwelijken op zolderkamers, maar waar het echt over gaat, zijn de Pleiners en hun hang-outs, Sherezade, het Hemeltje, Casablanca, het Afstapje, de Poffertjeskraam, de Groene Kalebas, De Lucky-Star, de Phonobar, de Cave Toulouse-Lautrec en de Cotton Club. Sherezade zat in de Wagenstraat, de Phonobar en de Cave Toulouse-Lautrec op het Thorbeckeplein, de rest rondom het Leidseplein, behalve Cotton Club en Casablanca – die als enige nog bestaan.

Hiddema heeft het allemaal vastgelegd. Dat je elkaar groette met de bebop-groet van Dizzy Gillespie en ruziede over Dave Brubeck: ‘„Weet je wat ik daarvan moet?” vraagt Ferry als ze op de treden van het Nationaal Monument staan. „Dit!” Zonder blikken of blozen trekt hij zijn broek naar beneden en laat een ferme scheet.’ Dat je opschepte dat Dizzy Gillespie in de kleedkamer van het Concertgebouw met je wilde schaken en dat je Miles Davis en Chet Baker wel eens tegen het lijf was gelopen.

Amsterdam was een groot avontuur in die dagen, alles was nieuw, alles was jazz, alles was poëzie. Zo mooi als het toen was, is het nooit meer geworden. Zie Scheuren in het asfalt.

Of zou het er heel misschien mee te maken kunnen hebben dat we geen zestien meer zijn en het ook nooit meer zullen worden.

Guus Luijters schrijft op gezette tijden over de literaire plekken van Amsterdam.