Opinie

Flauwekulmondkapjes

Frits Abrahams

Gerustgesteld door de persconferentie van Rutte en De Jonge? Eh... niet écht. Mijn onzekerheid begint al bij de kapper. Daar moet ik binnenkort heen als ik tenminste wil voorkomen dat ik word opgepakt als dakloze, vermoedelijk illegaal in Nederland verblijvende, en daarom door Wilders en Baudet gehate zwerver. Wat staat me dan precies te wachten? Mijn kapper woont een eind weg, ik zal dus met het openbaar vervoer moeten. Ik ben dan verplicht een mondkapje om te doen. Een mondkapje is een ongemakkelijk aanvoelend, de ademhaling bemoeilijkend, foeilelijk attribuut, geschikter voor het plegen van brute bankovervallen dan voor bescherming tegen het coronavirus.

De werking ervan is in Nederland steeds door erkende deskundigen zwaar gerelativeerd. En niet alleen in Nederland – ook de Wereldgezondheidsorganisatie was aanvankelijk zeer gereserveerd. Het kapje zou hooguit ‘een beetje’ werken, maar dat beetje wordt meteen tenietgedaan bij verkeerd gebruik – dan kan het zelfs een bron van infectie worden.

Voorafgaand aan de laatste persconferentie van Rutte constateerde het OMT, het adviesorgaan van de minister van Volksgezondheid, schriftelijk dat er „gebrek aan eenduidig bewijs” is dat deze niet-medische mondmaskers, bestemd voor de gewone burger, zullen werken. Het OMT kon daarom „geen richtinggevend positief advies uitbrengen dat voldoende inhoudelijk onderbouwd is”.

Het OMT sloot zuinigjes af met de mededeling dat het gebruik ‘overwogen’ kan worden. Vrij vertaald: als jullie die flauwekulmondkapjes zo graag willen dragen omdat je je dan veiliger voelt – ga dan je gang maar.

Maar de regering overweegt het niet meer, het stelt het gebruik verplicht. Het gevolg is dat ik straks alleen nog trein, bus, metro of tram mag betreden met zo’n zonderlinge lap om mijn hoofd – een soort nikab voor virusvrezers. Beschermd zal ik me niet voelen, omdat ik nu eenmaal weinig talent voor bijgelovigheid heb. Eerder vrees ik dat de ander – de reiziger, in dit geval ook de kapper – niet alleen voor mij een gevaar kan zijn, maar ikzelf ook voor die ander. Schijnveiligheid is onveiligheid.

Toch moet ik naar de kapper. De regering spreekt van een ‘aanvaardbaar risico’, maar ik zou het liever een ‘onvermijdelijk risico’ willen noemen, want ik ben het met de regering eens dat er iets moet gebeuren: we kunnen ons niet blijven opsluiten tussen vier muren – ook de 70-plussers worden daar op den duur niet beter van. Maar deze oudjes zullen wel terdege moeten beseffen dat zij buiten die muren veruit het grootste gevaar lopen.

Misschien zit er straks in de tram naar de kapper een passagier tegenover hen die de avond tevoren geen zin had om zijn mondkapje in de was te doen; hij wilde nog een dagje wachten – dan kon hij zijn vuile sokken erbij doen.

Ook is het mogelijk dat zijn aardige kapper toevallig een weekje eerder het virus heeft opgelopen bij een slordige klant, die met zijn smoezelige kapje door zijn haar had gewreven toen hij jeuk voelde.

Ik noem maar een paar onvrolijke mogelijkheden en ik zou er nog wel even mee door kunnen gaan, als ik niet zo graag mijn dierbare lezers, en vooral de ouderen onder hen, een hart onder de riem wilde steken. We leven nog, moeten ze maar denken. Dat kunnen ze, goddank, bij Denk en 50Plus niet meer zeggen.