Opinie

In mijn badkamer werd een onderduiker vermoord

Michel Krielaars

Tot begin 1942 bestond in mijn straat bijna de helft van de bewoners uit Duits-Joodse vluchtelingen. Drie jaar later waren ze allemaal weggevoerd. Ik woon dan ook in schuldige stenen. In de roman Tramhalte Beethovenstraat (1963) van Grete Weil kun je enigszins ervaren hoe die wereld er uitzag. Dat kan ook in mijn badkamer, waar in 1943 de latere cineast Louis van Gasteren een Duits-Joodse onderduiker, Walter Oettinger, heeft vermoord. Hij woonde toen bij een SD-medewerkster in huis, in mijn slaapkamer. Een verdieping lager woonde haar tweelingzuster, die ook voor de SD werkte en met wie Van Gasteren een verhouding had. Bij die zus kwam ook W.F. Hermans over de vloer. Wat hij daar kwam doen valt zelfs niet te herleiden uit zijn oorlogsnovelle Madelon in de mist van het schimmenrijk.

Tot aan zijn dood in 2016 heeft Van Gasteren beweerd dat hij Oettinger moest liquideren omdat die de verzetsgroep waartoe hijzelf behoorde dreigde te verraden. Die groep bleek later niet te hebben bestaan. Eric Slot onthulde dat in zijn De dood van een onderduiker (2006), maar in de recent verschenen Van Gasteren-biografie Seismograaf van onze tijd van Jan Willem Regenhardt lees je er weinig over. Alsof Van Gasterens zonden hem postuum zijn vergeven.

Die geschiedenis staat wel in Bianca Stigters fascinerende Atlas van een bezette stad. Amsterdam 1940-1945. Dezer dagen loop ik met dat boek door mijn buurt. En steeds kom ik doden tegen, zoals verzetsheld Gerhard Badrian, die ik ken uit verhalen van overlevenden. En om die verhalen gaat het.

Daarom las ik de afgelopen dagen behalve het zesde deel van Joodse huizen, dat papieren monument van alle schuldige stenen in Nederland, ook twee bijzondere ooggetuigenverslagen. Het eerste was Barre bevrijding, een selectie over de periode januari-juni 1945 uit Viktor Klemperers imposante Tot het bittere einde. Dagboek 1933-1945.

Klemperer was een Joodse hoogleraar in Dresden, die niet gedeporteerd werd omdat hij met een niet-Joodse vrouw was getrouwd. Wel werd hij uit zijn huis geschopt en moest hij dwangarbeid verrichten. Maar begin 1945 gloorde er ineens hoop, toen hij merkte dat de geestdrift over Hitler afnam. Zo zegt een wijkagent tegen hem: ‘Goedenavond, meneer de professor. De situatie gaat veranderen, u krijgt uw functie terug!’ Alsof het de gewoonste zaak van de wereld is, terwijl je weet dat diezelfde agent zich de afgelopen twaalf jaar veel minder beleefd tegen de professor heeft gedragen.

Na het geallieerde bombardement op Dresden vluchtte de ontheemde Klemperer met valse papieren naar Beieren. Daar hoorde hij op 5 mei dat Hitler en Goebbels op 30 april zelfmoord hadden gepleegd en dat de oorlog voorbij was. Hij noteert dan in zijn dagboek: ‘Het wordt een steeds groter raadsel waarom de Hitlerij ingang heeft kunnen vinden, ondanks Versailles, werkloosheid en ingeworteld antisemitisme.’

Een mogelijke oplossing van dat raadsel kwam ik tegen in het boekje Terug naar Birkenau, de ingetogen herinneringen van de inmiddels 94-jarige Frans-Joodse Ginette Kolinka, die in april 1944 in Auschwitz belandde. Over haar bevrijding door de Russen schrijft ze: ‘Men praat vriendelijk tegen ons, men kijkt ons aan. [...] Hoelang is het geleden dat iemand ons voor het laatst aangekeken heeft.’ In dat niet aankijken schuilt volgens mij het wezen van Hitlers onvatbare kwaad.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.