Opinie

Duits Hof verkent de grenzen van het beleid van de ECB

monetair beleid

Commentaar

Een bom onder het Europese monetaire beleid, of een eenvoudig te negeren uitspraak van één van de negentien nationale gerechtshoven in de eurozone? Die vraag ligt op tafel sinds het Duitse Constitutionele Hof in Karlsruhe deze week stelde dat het opkoopbeleid van de Europese Centrale Bank illegaal is.

Het Hof oordeelde dat de ECB „in strijd handelt” met het EU-verdrag door sinds 2015 grootscheeps staatsleningen van eurolanden op te kopen, zonder goed uit te leggen waarom die opkopen „proportioneel” zijn. Als het ECB-bestuur zich niet in een nieuw besluit nader verklaart, aldus het Hof, dan moet de Bundesbank haar deelname aan het gezamenlijke Europese opkoopbeleid over drie maanden beëindigen.

Dat zou, als het zover komt, inderdaad een bom onder de euro zijn. Maar zoals wel vaker is gebeurd met existentiële dreigingen voor de munt, is nog allerminst duidelijk of het ooit zover komt. De ECB heeft drie maanden de tijd om inhoudelijk te reageren op het voorstel. En daarna is het vooral een politieke vraag wat de Duitsers zelf gaan doen met de uitspraak van hun eigen Hof.

Dát het Duitse Hof überhaupt een uitspraak heeft gedaan over het Europese monetaire beleid is begrijpelijk en gerechtvaardigd. De financiële crisis van 2008 raakte de economie, en daarna de euro, zo hard dat regulier monetair beleid (lees: via rentes) niet meer voldeed en de weg naar onconventioneel monetair beleid werd ingeslagen. Niet alleen in Europa, maar ook in het VK en in de VS haalden centrale banken alles uit de kast om te voorkomen dat de economie ten onderging.

Het opkopen van staatsleningen en negatieve rentes werden toegevoegd aan het wapenarsenaal van de centrale bankiers. Met stilzwijgende goedkeuring van de politiek overigens, die veelal zelf níét of veel te laat in staat bleek met goede oplossingen te komen voor de financiële problemen. Inmiddels heeft de ECB al bijna 2.200 miljard euro aan staatsschuld opgekocht, vooral bedoeld om de zuidelijke lidstaten te steunen. Dat is een beleid dat in Duitsland (en Nederland, Finland, Oostenrijk en Luxemburg) al jaren omstreden is.

Deze groep landen is echter stelselmatig terzijde geschoven door de meerderheid van de eurolanden die het beleid wél steunen. Dat zorgt voor onvrede: onder centrale bankiers van de minderheid, maar ook van hun politici.

Wat de uitkomst van het nu volgende proces tussen de ECB en het Duitse Hof ook moge worden, een paar lessen zijn nu al te trekken. Mochten de Duitsers aan het langste eind trekken, dan schept dat een gevaarlijk precedent voor andere (juridische) conflicten binnen de Unie. Want waarom zou Duitsland wél de ruimte krijgen zich te onttrekken aan de jurisdictie van het Europese Hof en – bijvoorbeeld – de Fransen niet als het gaat over het mededingingsrecht, of de Hongaren op het gebied van de rechtsstaat?

Het is intussen goed om te bedenken welke centrale bank Europa wil hebben. Deze zaak gaat over de vorige crisis, en inmiddels zit de wereld in een volgende, die nog veel groter is. Ook die rekt het beleid, en daarmee het mandaat, van centrale banken in de hele wereld verder op. Monetaire financiering, het financieren van overheidsuitgaven door de ECB, is een reële mogelijkheid geworden. De monetaire technocraten begeven zich zodoende steeds meer (en deels ongewild) op het terrein van de politiek. Het zou naïef zijn te denken dat dit zonder gevolgen zou blijven.