Don White, een van de Canadezen die Nederland bevrijdden in 1945: „We vroegen onze koks om de helft van ons dagelijkse rantsoen aan de bevolking te geven”

Foto’s Chris Young

Interview

Don White: al 75 jaar een held in Nederland

Don White

Bevrijder

De Canadese veteraan Don White (95) is nog onder de indruk van hoe de Nederlanders hem en zijn kameraden destijds omarmden. „Ze dansten, ze renden en zongen, ze huilden en lachten en riepen.”

Een stemming van pure blijdschap en ontlading onder de bevolking. Dat is een van de voornaamste herinneringen van Don White aan zijn rol bij de bevrijding van Nederland. Met groot genoegen vertelt de 95-jarige Canadese veteraan uit Ontario over zijn ervaringen aan het einde van de Tweede Wereldoorlog.

„Je voelde de vreugde van de mensen om eindelijk vrij te zijn”, vertelt hij. „Het was een sfeer die ik nooit eerder had meegemaakt, alsof ze het van zich af wilden zetten, alles wilden laten gaan.”

White, een kwieke man die jeugdiger aandoet dan zijn leeftijd doet vermoeden, glundert als hij terugdenkt aan de uitbundige manier waarop hij en zijn mede-Canadezen in plaats na plaats door bewoners werden ingehaald als helden. „Ze bedankten ons en omhelsden ons en kusten ons en klopten ons op de schouders en gaven ons bloemen”, zegt hij, met nog altijd oprechte verwondering. „We werden als koningen behandeld.”

White ging voor het eerst terug naar Nederland in 1995 voor de herdenking van vijftig jaar bevrijding. Sindsdien is hij elke vijf jaar gegaan, „en nog een paar keer tussendoor”. Meerdere keren ontmoette hij premier Rutte. Vorig jaar werd een witte tulp naar hem genoemd, en kreeg hij een bos Don White-tulpen uit handen van de premier. „Ik voel me altijd geweldig, want iedereen verwelkomt ons en ze geven me het gevoel dat ik deel ben van hun familie.”

Lees ook over start herdenking: ‘De oorlog is nooit opgehouden’

Al maanden keek hij ernaar uit om voor de viering van 75 jaar bevrijding naar Nederland te reizen. Wegens het coronavirus ging dat niet door. In plaats daarvan is hij thuis, in zijn woning in Oshawa, een voorstad van Toronto.

Nederlandse vlaggen

White maakte deel uit van een verkenningseenheid van de Royal Canadian Dragoons, „het oudste en knapste cavalerieregiment van het Canadese leger”, lacht hij. Hij draagt zijn militaire uniform: blauwe blazer met medailles, zwarte baret. Het is een replica van de baret die hij droeg tijdens de oorlog, toen hij als twintigjarige in het voorjaar van 1945 met zijn eenheid in een pantserwagen van het type ‘Staghound’ door het oosten van Nederland trok, langs Zwolle en Almelo en noordwaarts richting Friesland. Daar bevrijdde zijn regiment onder meer Leeuwarden en Franeker.

„Het was er stil, we wisten niet of we op weerstand zouden stuiten”, vertelt White, die als een van de eerste bevrijders in Leeuwarden aankwam. „We waren er nog maar vijf of tien minuten en plotseling werden Nederlandse vlaggen uit de ramen gehangen, en oranje wimpels. Ze zagen onze voertuigen en wisten dat we geen Duitsers waren. Mensen kwamen met honderden naar buiten, je kon nauwelijks de straat meer zien. Ze schudden onze handen, en de meisjes kusten ons, dat vonden we geweldig. Ik kan me herinneren dat ze ons ‘Tommy’ noemden. We moesten uitleggen: ‘Nee, we zijn Canadezen’. Ik denk dat veel Nederlanders voor het eerst Canadezen zagen.

„Er gebeurde van alles tegelijk, mensen sprongen op en neer en dansten, ze renden en zongen, ze huilden en lachten en riepen. Er kwamen zoveel emoties los.”

Voor White was het een moment van triomf na een intensieve militaire missie, die hem van Canada naar Engeland had gebracht, en via Italië naar Nederland.

Twee jaar eerder, op zijn achttiende, had hij zich aangemeld bij het Canadese leger. Vier van zijn ooms hadden gevochten in de Eerste Wereldoorlog, en White beschouwde het als zijn plicht om te dienen. Ook loyaliteit aan het Britse imperium speelde een rol. „Het nieuws was heel slecht, we verloren de oorlog. Ik had het gevoel dat ik het moest doen, om het land te beschermen.”

White trainde in de Canadese provincie Saskatchewan. In 1944 werd hij vanuit Halifax eerst per schip naar Engeland vervoerd en aan het eind van het jaar naar Italië gezonden, waar hij terechtkwam in de omgeving van Ortona. Dat was het toneel van een veldslag waarbij meer dan 1.300 Canadezen omkwamen. Het was er nat en koud, herinnert White zich, en er was weinig verkenningswerk. „Als er een doorbraak was, moesten we wat verkenning doen, maar bij een statisch front kun je niet veel verkennen. Meestal waren we infanterie aan de frontlinie.”

Begin 1945 werd White overgeplaatst naar Nederland, via Frankrijk en België. Zijn regiment voegde zich bij het Eerste Canadese Leger. Het zuiden van het land was toen al bevrijd; White kwam in actie in de omgeving van Zwolle.

Panzerfaust

Het front was in beweging, met de Duitsers op de terugtocht. White en zijn eenheid moesten in kaart brengen waar de Duitsers zaten, en waar ze sterk en zwak waren. Ze trokken in pantserwagens voor de Canadese troepen uit, soms tot dertig kilometer, en rapporteerden wat ze aantroffen. Dat werk in de voorhoede was riskant, maar White relativeert het: „Elke positie in het Canadese leger was gevaarlijk, ik denk niet dat wij meer gevaar liepen dan anderen”, zegt hij. „Het was werk dat we moesten doen, maar je was altijd op je hoede.”

De Canadezen werden beschoten door Duitse artillerie en er was altijd het gevaar van een panzerfaust, een Duits anti-tankwapen dat een persoon kon afschieten. „Als je door een panzerfaust werd getroffen, was het over, dat waren efficiënte wapens. Dan was je je voertuig en de bemanning kwijt.” Ook was er het gevaar van mijnen. „Op een dag reed een van onze voertuigen op een landmijn, vijf mannen werden gedood”, herinnert White zich. „Dat was een slechte dag, ik praat er liever niet over.”

Twaalf militairen uit het regiment van White zijn begraven op de militaire begraafplaats in Holten. Hij gaat er bij elk bezoek aan Nederland naartoe. In totaal kwamen 7.600 Canadezen om bij de strijd om Nederland te bevrijden. White probeert de trauma’s van de oorlog van zich af te zetten. „Ik ben een gelukkig mens, want de slechte dingen heb ik achterin mijn geheugen geplaatst, ik probeer er niet aan te denken.”

De oorlog is voorbij

Via Friesland en Groningen trok het regiment Noord-Duitsland in, met Wilhelmshaven als doel. Voordat die stad werd bereikt, kwam de oorlog in Europa ten einde.

White herinnert zich het nieuws. „We hadden ons klaargemaakt voor de nacht, een van de jongens bleef in een voertuig. Hij ving een radiosignaal op van de BBC. Hij riep ons, maar we geloofden hem eerst niet. Hij zei ‘kom hier’, en we stonden rond het voertuig en hoorden dat de oorlog voorbij was. Dat wilden we vieren. Maar even later kwam de officier binnen en zei: ‘naar bed jongens, want we moeten morgen vroeg op. We weten nog niet hoe de Duitsers op de overgave reageren.’ Dat was het einde van ons feestje.”

Na de Duitse capitulatie werden White en zijn regiment naar het westen van Nederland gestuurd, het deel van het land dat als laatste werd bevrijd. De eerste Canadese eenheden kwamen daar op 8 mei aan. White ging naar Haarlem. „ We merkten dat mensen in de winter van 1945 honger hadden geleden”, herinnert hij zich. „Ze hadden ingevallen gezichten, waren bijzonder mager. Kinderen waren ondervoed, met dunne beentjes en armpjes. ”

De voedselvoorziening moest nog op gang komen, vertelt White. Daarom besloten hij en zijn regiment om een deel van hun voedsel af te staan. „We vroegen onze koks om de helft van ons dagelijkse rantsoen aan de bevolking te geven. Ik weet nog dat we op een dag tegen elkaar zeiden: we hebben best honger. En toen keken we elkaar aan en dachten: nee, we kunnen geen honger hebben, want met een deel van ons rantsoen wordt een gezin van drie of vier mensen gevoed. Dus hoe kunnen wij klagen? ”

Vanuit Haarlem, waar hij ongeveer zes weken bleef, moest White helpen een groep Duitse gevangenen te escorteren naar Duitsland – een missie die meerdere dagen in beslag nam. Zij gingen te voet, de Canadezen begeleidden hen in hun voertuigen. „Je zat aan de kant van de weg en zag ze voorbijlopen. Aan het einde van de stoet reed je naar het begin.

„Toen we in onze voertuigen stapten om te vertrekken, liep heel Haarlem uit. Mensen huilden en smeekten ons om te blijven, ze wilden niet dat we weg gingen. Wij wilden wel blijven, maar we moesten door. Zo werkt het in het leger: je volgt bevelen op.”

Meisjes

White bleef bijna de hele rest van dat jaar in Nederland. Hij deed mee aan een ijshockeycompetitie van het Canadese leger en bezocht onder meer Amsterdam, waar een ijsbaan was. Zijn team logeerde in een school. Ook was er een Canadese club in de hoofdstad. „We gingen daar naartoe en ontmoetten andere soldaten. En er mochten meisjes komen. We konden een drankje of een biertje met ze drinken. Ik dronk geen bier, alleen frisdrank.”

In Amsterdam kreeg White een vriendinnetje, Nellie. Haar vader had een melkhandel, vertelt hij. „Als ik haar mee uit wilde nemen naar een restaurant, ruilde ik mijn sigaretten. Ik heb nooit gerookt maar kreeg wel elke week een rantsoen sigaretten. Voor een pakje kon je een aardige maaltijd krijgen. Ik ging ook naar haar huis, haar moeder rookte. Dus ik was daar de held.”

Eind december 1945 ging White terug naar Engeland. Zijn militaire tijd zat er begin 1946 op. Terug in Canada studeerde hij aan een landbouwschool en ging werken bij het bedrijf van zijn vader, in mest- en brandstof. „Het leven is goed voor me geweest”, zegt hij.

Pas in 1995 realiseerde White zich hoe Canadese veteranen in Nederland op handen worden gedragen. „Ik kan nauwelijks geloven dat er zo’n band is gevormd”, zegt hij. „In Italië waren we eerst de vijand, pas na de capitulatie waren we bevrijders, maar nooit zoals in Nederland. De Nederlandse bevolking is zo dankbaar voor wat we hebben gedaan, en laat dat altijd merken. Het maakt ons erg gelukkig dat we het konden doen. Hopelijk kunnen we binnenkort weer bij elkaar komen om het te vieren.”