De ritmiek van de neus

Wekelijks stuit Karel Knip in de alledaagse werkelijkheid op raadsels en onbegrijpelijke verschijnselen.

Deze week: is de gevoeligheid voor geuren ’s avonds anders dan ’s ochtends?

Dezelfde pipetten en borrelglaasjes als bij de geurenproef van 1994.
Dezelfde pipetten en borrelglaasjes als bij de geurenproef van 1994. Foto Karel Knip

Als de typische symptomen van de coronaziekte ziet de Amerikaanse gezondheidsdienst CDC, na een analyse van 2.600 ziekenhuisopnames, niet alleen koorts, hoesten en kortademigheid maar ook spierpijn, diarree en hoofdpijn. In mindere mate: een verstopte of juist een lopende neus, pijn op de borst en keelpijn. Ten slotte: verwardheid, buikpijn en hoorbaar hijgen en helemaal op het laatst: verlies of vermindering van reukvermogen en smaak. Dat laatste werd maar in 3 procent van alle gevallen opgegeven en kan alleen al daardoor nauwelijks als onderscheidend criterium gebruikt worden. Bovendien wemelt het van de aandoeningen die het reukvermogen aantasten. Zie het Wikipedia-lemma ‘anosmia’.

Het is dus een beetje een raadsel waarom de Universiteit Wageningen in internationaal verband een onderzoek is begonnen naar de samenhang tussen Covid-19 en reukverlies. Maar ze doet het en, ach, wie zal er wat van zeggen? Het sympathieke van de Wageningse aanpak is dat coronalijders aan de hand van ervaringen met chemicaliën uit het gootsteenkastje en de badkamer (misschien is de wc bedoeld, ’t is allemaal Engels) moeten vaststellen of het reukvermogen is veranderd.

Een kip-of-eikwestie

25 jaar geleden werd van AW-wege een soortgelijk onderzoek opgezet toen het laboratorium in een kip-of-eikwestie was vastgelopen. Het had waargenomen dat de kamerplant Hoya carnosa, als-ie bloeide, pas ’s avonds na half negen zijn geur ging verspreiden en vroeg zich af of dit in het land van herkomst biologische betekenis kon hebben. Van de inheemse kamperfoelie (Lonicera periclymenum), die óók ’s nachts in ‘anthese’ is, staat dat wel vast. De moeilijkheid was dat er dag-en-nachtritmiek zat in het reukvermogen van de waarnemer. Dat die pas ’s avonds gevoelig werd voor de geur die de Hoya al de hele dag afgaf.

Om uitsluitsel te krijgen werd in een ruwe proefopzet van drie alledaagse stoffen de geurdrempel bepaald: van aceton, van azijnzuur (in de vorm van schoonmaakazijn) en van alcohol (als jonge jenever van Hartevelt). Alle drie geurige, kleurloze vloeistoffen die goed mengen met water. Stuk voor stuk bleken ze na een verdunning van 500 maal nog steeds traceerbaar, zij het dat dat voor de jenever alleen ’s avonds gold. ’s Ochtends viel een honderdvoudige jeneververdunning al nauwelijks meer te herkennen.

‘Dagritmiek in alcoholperceptie’, was de snelle AW-conclusie. Maar van een verdere onderbouwing kwam het niet en de lust daaraan te beginnen verdween voorgoed toen Duitse en Amerikaanse onderzoekers in 1997 in Chemical Senses berichtten dat zij juist geen enkele ‘circadiane’ ritmiek in geurgewaarwording hadden kunnen vinden. Ze hadden vijf gezonde mannelijke vrijwilligers (gemiddeld 27 jaar oud) laten ruiken aan verdunningen van het gas waterstofsulfide (H2S, zwavelwaterstof) en een heel etmaal lang geen significante verschillen in geurdrempels gezien. Het ging een beetje op en neer, dat was alles. Dat de steekproef aan de kleine kant was en dat H2S misschien niet zo’n relevant gas is lijkt niet bij Jörn Lötsch en zijn kameraden te zijn opgekomen.

Geur met groot gevaar

Het is niet zo dat de geurgevoeligheid van gezonde mensen almaar constant is. Al in 1950 is aangetoond dat een stevige Amerikaanse lunch de gevoeligheid voor het koffiearoma sterk verlaagt (althans bij vrouwen in een medisch instituut). Als proefpersonen in de waan zijn gebracht dat een bepaalde geur een groot gevaar met zich meedraagt dan wordt die geur uitzonderlijk goed geroken (Chemical Senses, 1996). En dan is er nog de grillige invloed van emoties op geurdrempels. Laat je proefpersonen naar heel onprettige plaatjes kijken (uit een standaardset plaatjes die met IAPS wordt aangeduid) dan daalt zowel bij mannen als vrouwen de geurgevoeligheid. Krijgen ze heel aangename IAPS-plaatjes te zien dan daalt de gevoeligheid alleen bij mannen. Maak daar maar eens chocola van, zou je zeggen, maar daar draaien echte wetenschappers hun hand niet voor om.

Toen werd het 2017 en besloot een groep aangevoerd door Rachel Herz van Brown University nog eens opnieuw te onderzoeken of er dag-en-nachtritmiek zit in het reukvermogen. De opzet was geraffineerd met een langzaam verschuivend licht-donkerregime in etmalen van 28 uur. De jonge proefpersonen (gemiddeld 14 jaar) moesten ruiken aan een soort viltstiften die geuren van alcoholen en esters en dergelijke afgaven, kant en klaar in Duitsland te koop als Sniffin’Sticks.

En verdomd, nu werd circadiane ritmiek gevonden. Met de nodige spreiding, maar toch. ’s Ochtends is de gevoeligheid voor geur het minst, ’s avonds laat het grootst. Eigenlijk ook logisch, want ’s avonds word je door roofdieren bedreigd, weet Herz.

Dat was eigenlijk wat wij de lezer vandaag wilden vertellen. Er is wel degelijk ritmiek. Maar aan herhaling van de proefjes uit 1994 viel natuurlijk niet te ontkomen. Etos had nog steeds aceton, de schoonmaakazijn (nog steeds 8 procent) kwam deze keer van AH en de jonge jenever kwam nu uit de fles Ketel 1. Met dezelfde pipetten en borrelglaasjes als destijds zijn weer verdunningsreeksen gemaakt. De uitkomst was onthutsend. Het azijnzuur werd al bij een 100-voudige verdunning nauwelijks meer waargenomen en de jenever haalde de tienmaal niet eens. Anderzijds werd de Etos-aceton na een verdunning van 10.000 keer (viermaal tienmaal) nog steeds goed herkend. Recessie en progressie in dezelfde neus! Je hoopt maar dat ze er in Wageningen rekening mee houden.