De holocaust die nog bestaat in de bodem

Archeologie Monumenten voor concentratiekampen vernietigen soms de sporen van dat kamp die nog steeds in de grond zitten. Archeoloog Ivar Schute pleit voor meer aandacht voor dat aangrijpende, onzichtbare erfgoed.

Archeologisch onderzoek bij de commandantswoning op het terrein van Kamp Westerbork.
Archeologisch onderzoek bij de commandantswoning op het terrein van Kamp Westerbork. Foto Sake Elzinga

Verspreid over Europa ligt in de bodem nog steeds een Holocaustlandschap. Funderingen van barakken, kelders, resten van waterleidingen, afvalkuilen, sporen van wachttorens, een kampgracht of een toegangspoort, persoonlijke bezittingen en stoffelijke resten, ze zijn er nog – onzichtbaar voor het ongetrainde oog. In de nazitijd waren deze plekken allemaal met elkaar verbonden door spoorlijnen. „De stations waar de Joden op transport werden gezet en aankwamen, zijn vaak nog wel te zien”, zegt archeoloog Ivar Schute van onderzoeks- en adviesbureau RAAP. De afgelopen tien jaar heeft hij op verschillende plekken in Europa, waaronder Westerbork, Bergen Belsen, Treblinka en Sobibor, sporen van de Holocaust opgegraven. „Maar door onwetendheid dreigen de sporen in de bodem alsnog vernietigd te worden”, herhaalt hij zijn waarschuwing uit zijn recent verschenen boek In de schaduw van een nachtvlinder. Een archeoloog op zoek naar sporen van de Holocaust.

Het boek biedt een archeologische blik op een enkele reis via een spoorlijn, van west naar oost, van razzia naar vernietigingskamp en de dood. Ook is het een verhaal van hoe omgegaan is en wordt met het erfgoed dat er nog aan herinnert. „Veel kampen maken geen deel uit van het collectieve geheugen”, stelt Schute. „Ook niet in Nederland.” Tijdens zijn lezingen weten de meeste aanwezigen alleen de drie bekendste te noemen: Westerbork, Vught en Amersfoort. „Maar daaromheen waren zeker nog een stuk of zeventig werkkampen.” Lokaal zijn die soms wel bekend. Bij Gijsselte, iets ten westen van Hoogeveen, trof Schute een grote kei met daarop een plaquette dat ‘hier’ het Joodse werkkamp was. „Maar dat lag eigenlijk tweehonderd meter verder. In de achtertuin van een huis heb ik daar nog de overwoekerde resten van de latrines en een beerkelder gevonden.”

Als een stadje op de heide

Voor Schute zijn de kampen meer dan alleen de met prikkeldraad omgeven terreinen met barakken. Rond de kampen vindt hij wat hij noemt de „materiële reflectie van een aantal operationele, functionele en ondersteunende functies”. Westerbork ziet hij daarom als een stadje op de heide. „Buiten het prikkeldraad lagen het bewakerskamp, de kampboerderij, een waterzuivering, het crematorium, de vuilstort, het smalspoor en het haventje.” Via het haventje aan het kanaal twee kilometer verderop en het smalspoor werden de vliegtuigwrakken aangevoerd die in het kamp moesten worden gedemonteerd. Net buiten het kamp, bij de noordelijke wachttoren, heeft Schute in 2011 een klein deel van de afvalkuil van Westerbork opgegraven. „Een honderd meter lange en ongeveer twee meter diepe sleuf. Hij is in 1940 gegraven en van achteren naar voren opgevuld.” Dat betekent dat de vuilniskuil al gegraven is, toen Westerbork nog een vluchtelingenkamp voor Joden was. Een tweede kortere sleuf, die als een lob aan de eerste sleuf vastzit en gegraven is toen de lange sleuf vol was, bevatte vooral materiaal van na de oorlog, toen het kamp achtereenvolgens diende als interneringskamp voor NSB’ers en collaborateurs, een militair opleidingscentrum, en opvang van Molukkers. Schute: „De onduidelijke gelaagdheid maakte precies dateren en interpreteren van de vondsten lastig. Ik weet vrijwel zeker dat een kinderschoentje in de vuilniskuil een Joods kind toebehoorde, maar niet helemaal. Dat leidt tot de vraag: hoe presenteer je zo’n vondst in een herinneringscentrum?”

Kapotte brillenglazen

Schute is wel zeker van de zeggingskracht en de betekenis van de vondsten die in de verschillende kampen zijn gedaan. „Achter de knopen, kammen, tandenborstels, schoenen, gebroken aardewerk, kapotte brillenglazen, een plastic lipje van een jarretelgordel en sieraden gaan mensen en verhalen schuil.” Daarom verbaast het hem dat er bij de bouw en aanleg van herinneringscentra en monumenten van te voren geen rekening wordt gehouden met de nog resterende sporen in de bodem. „In wat het vernietigingskamp Belzec in Polen was is een groot vierkant met as voorstellende steenbrokken geplaatst die precies het vroegere kamp beslaat. Een indrukwekkend monument, maar wel een dat paradoxaal genoeg de laatste archeologische sporen van de moord op een half miljoen mensen heeft uitgewist.”

Een schoentje dat vrijwel zeker aan een Joods kind heeft toebehoord.
Foto Sake Elzinga
Kapotte brillen die archeologen hebben aangetroffen op het terrein van Kamp Westerbork.
Foto Sake Elzinga
Vondsten van het kampterrein liggen klaar om afgespoeld en gesorteerd te worden.
Foto Sake Elzinga
Archeoloog Ivar Schute toont een van zijn vondsten van het terrein van Westerbork.

Herinneringscentra hebben volgens Schute ook de neiging om vondsten alleen als stille getuigen en vanuit een historisch perspectief te tonen. „Zonder context is een afgebroken kies een afgebroken kies, maar als je vertelt dat de kies gevonden is naast de fundering van een gaskamer in Sobibor krijg je een ander verhaal.” Zo vertellen ook de vondsten in de afvalkuil van Westerbork ook sámen met die in Sobibor een verhaal. „In Sobibor vonden we hetzelfde materiaal: tubes met Nederlands opschrift, tandenborstels, Nederlands glas en aardewerk, scheermessen, parfum. En ook nog eens verhoudingsgewijs veel meer dan van bijvoorbeeld Polen. De Nederlandse Joden hadden dus nog de illusie dat ze in een werkkamp in het oosten een leven gingen opbouwen, maar de Poolse Joden, die uit de getto’s kwamen, hadden geen bezittingen meer en hadden vaak al van massaexecuties gehoord.”

Naar de gaskamers gejaagd

Het onlangs ontdekte fotoalbum van Johann Niemann, de plaatsvervangend commandant van Sobibor, maakt duidelijk dat archeologie soms datgene kan laten zien waarvan geen foto’s, documenten of getuigenverklaringen zijn. Schute: „De foto’s tonen het Vorlager, met gezellige huisjes en drinkende SS’ers. Wat ze niet tonen is de lopende band die Sobibor was: de slachtoffers die op het perron aankwamen, hun bezittingen moesten afstaan en naakt door de Himmelfahrtstrasse naar de gaskamers werden gejaagd. Die hebben wij opgegraven.

„Bewijs vinden voor de Holocaust is nooit mijn motivatie geweest om in de vernietigingskampen op te graven. Daarvoor is – om te spreken met de Amerikaanse historica Deborah Lipstadt, auteur van Denying the Holocaust uit 1993 – a myriad of documents. Het is me wel opgevallen hoe belangrijk nog steeds die bewijsvoering en erkenning voor de Joodse gemeenschap zijn.”

Daarom was Schute ontdaan toen een jongen uit Gelderland, die met enkele andere jongeren op schoolbezoek was, ineens vroeg hoe hij zeker wist de gaskamers opgegraven te hebben. Hij raakte ook geïrriteerd, omdat hij zich weer herinnerde hoe in 2014, kort nadat ze de fundamenten van de gaskamers hadden gevonden, Holocaustontkenner David Irving met een door hem geleid Amerikaans reisgezelschap was langsgekomen. „Dat is iemand voor wie het niet uitmaakt wat we opgraven. Vind ik Nederlandse borden en bestek naast het perron dan zegt dat niks over massamoorden, vind ik funderingen dan zijn het paardenstallen, vind ik menselijk bot dan zijn dat ‘beperkte aantallen slachtoffers’. Volgens hem waren er, als je toch moest sterven, beroerdere plekken dan Sobibor. ‘It is so beautiful here’, zei hij.” Schute begreep dat hij de jongen toch moest antwoorden, in de hoop dat die niet leed aan dezelfde vooringenomenheid als Irving. „Ik vertelde hem dat Frans Hödl niet alleen chauffeur van kampcommandant Franz Reichleitner was geweest, maar in Sobibor vanaf oktober 1942 ook de motoren die de koolmonoxide leverden had bediend. Tijdens zijn proces in 1974 had hij een vage schets van het kamp gemaakt, maar het gebouw met de gaskamers had hij gedetailleerd getekend. Ik liet de jongen de tekening van Hödl en onze opgravingstekening van de gaskamers zien. Het was precies dezelfde tekening. Wij konden toch moeilijk veertig jaar later het gebouw in de grond gestopt hebben dat Hödl ooit tekende? De jongen was overtuigd.”

Ruimtelijke ordening

Toch heeft Schute soms nog het gevoel dat het archeologisch werk te weinig serieus wordt genomen. Door overheden die over de ruimtelijke ordening gaan, maar ook door historici. In verband met Schute’s onderzoek schreef historicus Martijn Eickhoff van het NIOD (en sinds vorig jaar in Groningen bijzonder hoogleraar archeologie en erfgoed van oorlog en massaal geweld) dat archeologen en historici niet op zoek moeten naar complementaire output, maar gezamenlijk benaderingen en vraagstellingen zouden moeten formuleren. Hij schreef dat in 2016 in het Tijdschrift voor Geschiedenis.

„Daar sluit ik me bij aan”, zegt Schute. „Wat we opgraven raakt niet alleen overlevenden en nabestaanden, maar ook ons en jongere generaties. De archeologen Rodney Harrison en John Schofield zeggen inAfter Modernity. Archaeological Approaches to the Contemporary Past (2010) dat opgravingen als in Sobibor en Westerbork een maatschappelijk therapeutisch effect kunnen hebben. Ze maken weer zichtbaar of brengen weer in herinnering wat vergeten, onverwerkt, onopgelost of sociaal taboe is. Ze vertellen ook iets over onszelf: het in Sobibor teruggevonden naamplaatje van de vijfjarige Lea Judith de la Penha uit Amsterdam vertelt ons waartoe mensen in staat waren, en wat dat impliceert voor ons eigen handelen.”

Nauwelijks aandacht in Polen

In Nederland heeft Schute in de loop der jaren veel media-aandacht gekregen voor de verschillende onderzoeken die hij heeft gedaan. Dat ligt in Polen anders, vertelt hij. „Terwijl ik in Sobibor regelmatig door Nieuwsuur en andere media ben gevolgd, hadden de Poolse media nauwelijks aandacht. Ik geloof dat ik daar één keer door een lokaal tv-station ben geïnterviewd. De Poolse opstelling blijft dat ze zich afsluiten voor dit verleden.” Om problemen te voorkomen heeft hij in zijn inleiding in overeenstemming met Poolse wetgeving één keer voluit geschreven wat hij met kamp Sobibor bedoelt. „Overal waar ik het in dit boek over ‘kamp Sobibor’ heb, bedoel ik ‘het voormalige nazivernietigingskamp Sobibor in hedendaags Polen’.”

Opgraven in de kampen is emotioneel zwaar, concludeert Schute. Toch hoopt hij ooit nog eens de fabrieksterreinen rond Auschwitz te kunnen opgraven. Nu wacht eerst het ‘gewone’ werk: een bouwproject op een Romeins castellum. „Ver weg in de tijd, dus weinig emotie.”