Recensie

Recensie Boeken

Hoe een Gooisch godskind terugkijkt op haar jeugd

Religie Als kind leerde Renske Doorenspleet zich totaal over te geven aan ‘Oom Apostel’. Daar is ze achteraf boos over. Tegelijk loopt ze over van begrip. Apostelkind is het boek over die worsteling.

Lambertus Slok, de leider van het Apostolisch Genootschap
Lambertus Slok, de leider van het Apostolisch Genootschap Foto Apgen

Duizenden kinderen die opgroeiden in het Apostolisch Genootschap kenden het nummerbord van hun leider uit het hoofd. De cijfers, 8017, vrolijkten hen op, zo zongen ze in een apostolisch koorlied, want die cijfers brachten hen dichter bij ‘Oom Apostel’. Ofwel: de ‘Christus van het heden’.

Renske Doorenspleet (1973), die opgroeide in het genootschap, vond het een stom lied. Toch liet ze het wel uit haar hoofd dat te zeggen. De dominante cultuur, nee, de opdracht binnen het genootschap was om blij en optimistisch te zijn. Altijd. Alles was fijn. Voelde iets niet zo, dan moest je ‘diep naar binnen kijken, in jezelf, en net zo lang aan jezelf werken totdat je ontzag kreeg voor de Mannen Gods en ons genootschap.’

Geen misverstand, ook Doorenspleet hield zielsveel van haar apostel, de Heiland der Mensheid, de Gezalfde Gods, het stralende Middelpunt van het Algebeuren – de hoofdletters horen erbij. Iedere avond richtte ze haar gebeden niet tot God of Jezus, maar tot hem, Lambertus Slok, een kalende man van middelbare leeftijd die ook in Bussum woonde, iets verderop in een grote villa. Zijn portret stond op haar nachtkastje naast een zeemeermin met oranje haren. Hij had een wrat op zijn voorhoofd. ‘Hij lacht lief naar me. Dat doet hij altijd’.

Megalomaan

Apostolischen geloofden dat God met Slok mens was geworden. Dat maakte hun gemeenschap, zo’n dertigduizend leden, tot Godsvolk. De verantwoordelijkheid was immens. In bescheidenheid en stilte werkten ze aan Diens koninkrijk. Ofwel: een betere wereld. Met hoop, geloof en liefde. Veel liefde.

Eénentwintig jaar na haar vertrek uit het genootschap beschrijft Doorenspleet hoe dwingend en intens het genootschapsleven was. Hoe verplicht die liefde. Het was een leven van koren, kringen en diensten, ook voor de volwassenen, alle vrije tijd ging eraan op. Achteraf verbaast de politicologe zich erover hoe redelijke mensen met serieuze posities in de samenleving zich lieten meevoeren in een leiderschapscultus rond een man wiens opvattingen, megalomanie en eis tot gehoorzaamheid steeds verder afdreven van de tijdgeest uit haar jeugd – de jaren zeventig.

De opdracht was om blij en optimistisch te zijn. Alles was fijn, altijd.

Ze heeft wel een antwoord: mensen blijken bereid veel van hun leider te accepteren om de groep te behouden. Mensen als haar ouders, concludeert ze, vreesden een levensdoel en kameraadschap te missen zonder hun ‘tweede wereld’, een soort parallel universum met eigen regels, rituelen, woorden, omgangsvormen en zelfs eigen kledingvoorschriften.

Haar eigen begrip zit Doorenspleet regelmatig dwars. Dan kruipt de boosheid door haar vergevingsgezindheid. In die passages noemt ze zichzelf een ‘cultkind’ en vraagt ze zich af waarom de buitenwereld niet meer interesse in het genootschap heeft gesteld. Waarom trok niemand aan de bel, op een enkele Panorama-journalist na? Dan maakt ze vergelijkingen met sekteleiders als David Koresh en Jim Jones, om direct te erkennen dat de apostolischen anders waren: ‘De groep was vol mooie verhalen en goed fatsoen.’ Een groep die conflict mijden tot kunst verheft, geeft geen aanstoot.

Goed, Slok was antidemocratisch (‘Blijft U met Uw handen van het stuur af, anders zet ik U de wagen uit’), hij leerde zijn volgelingen dat ze zijn eigendom waren (‘Eigendom-Gods’) en dat vrijheid leidde tot isolement, egoïsme en eenzaamheid. Maar hij misdroeg zich niet. Hij zette zijn volgelingen aan tot indrukwekkende ‘zielsaanbiedingen’ (apostolisch voor financiële giften), maar hij vergreep zich niet aan hen en hij riep ze zeker niet op tot zelfmoord. De grootste zonde die Doorenspleet hem weet aan te wrijven is dat hij mensen ten overstaan van de groep soms de les las.

Woede

Dat zijn niet de daden waarmee een sekteleider publieke verontwaardiging oogst. Doorenspleet weet dat. Apostelkind leest daarom ook als het verslag van een worsteling. Hoe te oordelen over haar jeugd, over het genootschap en over haar ouders die haar dit aandeden? Het zijn vragen die haar regelmatig naar haar eigen leven voeren, nu. Dat zijn de zwakste passages van het boek, vol wandelingen, kopjes thee en een telefoontje naar zus of zo.

Gelukkig volgen daarop altijd weer scherpe observaties en fascinerende herinneringen. Zoals de wijze waarop apostolischen groeten als ze elkaar tegenkwamen buiten ‘het Gebouw’ (met een klein knikje) en daarbinnen. Daar keken ze elkaar diep in de ogen terwijl ze een stevige handdruk gaven ‘vergezeld van een standaardgroet, op zangerige toon uitgesproken met een zweem van betrokkenheid en bezorgdheid: „Wat fijn u weer te zien. U bent hartelijk welkom.”’ Doorenspleets woede is tweeëntwintig jaar later soms goed te begrijpen.