Vrij zijn in...je eigen tropisch regenwoud

Vrij Hoe ontspant Nederland?

Je hoeft niet weg te gaan om in een andere wereld te zijn. Neem een voorbeeld aan Robin van den Broek (19). Vrijwel nooit gaat deze jonge Brabantse hovenier met vakantie. De afgelopen vijf jaar transformeerde hij zijn jongenskamer in een rijtjeshuis in Raamsdonksveer tot tropisch regenwoud.

Het begon allemaal toen een docent van de opleiding Dier en plant hem een wandelende tak gaf. Je weet wel, het zespotige insect dat samen met het wandelende blad de orde van Phasmatodea vormt (phasma= spook). De wandelende tak is kampioen camouflage en zelfreparatie: als er een poot of spriet afbreekt, groeit die terug.

Zijn eerste terrarium kocht Van den Broek toen hij veertien was. Inmiddels heeft hij rekken vol terraria en stapels plastic bakken. Hoewel er ruim vierduizend soorten Phasmiden zijn, kwamen er al snel andere dieren bij, waaronder boomkikkers, gekko’s en schildpadden.

De wandelende takken wonen in transparante plastic bakken, „daarin kun je de luchtvochtigheid goed op peil houden”. Wat verder van belang is: UVB-lampen die het zonlicht nabootsen, ventilatie en vitamines. Voeding is niet ingewikkeld: voor de wandelende takken plukt Van den Broek bramenblad in het park. „De amfibieën krijgen fruitvliegen en de meeste reptielen geef ik om de paar dagen krekels, die kunnen ze zelf jagen.”

„Het is een exclusieve hobby en je kunt eindeloos uitbreiden”, zegt Van den Broek. Hij ruilt dieren of verkoopt ze via een van de drie forums die hij beheert. Het is geen goedkope hobby en je bent er zeker een uur per dag mee bezig, plus twee dagdelen in de week die je besteedt aan terraria schoonmaken. „Verzorging, daar hameren wij op. Het zijn kwetsbare dieren.” De terraria zijn wereldjes op zich, verrijkt met orchideeën, ficussen en bromelia’s. Hoe vaak zeiden zijn ouders wel niet: „Dit is de laatste bak.” Kwam er toch weer eentje bij.

Trots laat Van den Broek een gifgroene tak over zijn spierballen wandelen, een PSG 18: „Bij wandelende takken werken we met codenamen.” Alle dieren maakte hij handtam, waarbij je er bijvoorbeeld tegen moet kunnen dat zo’n grote tak ter verdediging de stekels op zijn achterpoten in je huid zet.

Zijn bijzonderste dier is de roodoogmakikker, zo’n felgroen kikkertje met rode oogjes, niet groter dan een duim, geliefd object in de tropische fotografie. Aan zijn kameleon is hij het meest gehecht. „Als ik thuiskom, zit hij te wachten tot hij op mijn arm kan klimmen.”

Tussen acht en negen gaan de lichten uit. ’s Nachts ligt Van den Broek tussen het gekwaak van de roodoogkikkers, het geritsel van de kameleon en het gekko-gebrom. „Als de paartijd begint, is het één grote kermis.” Kermis in het slaapkameroerwoud.