San Diego

is visser en doet verslag vanaf de waterkant. Deel 35: over jankende makrelen
Dagboek van een visser

Vissen kunnen niet zingen, laat staan mooi zingen. Waar vogels worden geroemd om hun zangkunsten en verenpakjes moeten vissen het vooral hebben van hun smaak. Soms telt hun omvang of aantallen, zoals bij sportvissers, en een heel enkele keer tref je een visser die speciaal oog heeft voor kleur en compositie.

Toch haakte ik eens een vis die geluid voortbracht. En niet zomaar geluid, nee, ik verstijfde van schrik. Dat was zo’n vier jaar geleden op de pier van San Diego. Daar waren we geëindigd na een reis met een huurwagen dwars door Amerika, van Colorado tot Californië.

De houten pier was enorm en liep door tot diep in de oceaan. Op het eindpunt aangekomen nam ik een aanloop, boog naar achteren, en zwaaide de paternoster met massieve kracht tot voorbij de horizon waar die tussen de golven verdween. Direct voelde ik ’t al trekken. Met alle macht zwenkte ik aan de molen, de hengel kromde zich bijna stuk. Wat ik daarna omhoog hees was geen vis maar Chinees vuurwerk. De zonnespiegeling, de waterschittering, de bellen in m’n kop, ik weet het niet, maar wat daar aan mijn lijn vonkte en vlamde is met geen pen te beschrijven. Vijf, zes, zeven, nee, acht stuks telde ik! Acht uitbundige makrelen die zich als razende tollen om mijn heen spreidden. Acht kwikzilveren meerminnen. Ik juichte, ik brulde, ik voelde mij herboren, een bezwijming nabij. Maar... de betovering werd meteen bruut gebroken. Uit al die acht sidderende schepsels kwamen, als in een koor, bizarre kreten, eerst trillend en gesmoord en toen aanzwellend tot een lang, luid, ononderbroken gepiep, als een nest jonge kuikens in doodsangst! Door merg en been joeg het, en voor ik het wist hadden mijn handen ze al opgepakt en een voor een teruggeworpen in zee.

Die avond bezocht ik de pier opnieuw. Het krioelde er van de Mexicanen en Chinezen met hengels. Ze hadden gehoord van de enorme makreelscholen die langs de kust trokken. Met fosforescerende dobbers visten ze de ene na de andere makreel uit ‘t water. Uit hun emmers steeg een koor van gepiep en gesnor, maar niemand stoorde zich eraan, terwijl mijn maag zich omdraaide. Ik ging achter een Chinees staan en liet mij zogenaamd bewonderend uit over zijn triomfen. En toen, in een onbewaakt moment, greep ik stiekem een jonge makreel uit zijn emmer, verstopte die in m’n mouw en maakte mij gauw uit de voeten. Verderop gaf ik, na een vlugge zoen, het diertje terug aan de zee. Dit kunstje flikte ik die avond vaker, steeds bij een andere Chinees.

In de Koran staat: „wie één mens redt, redt de hele mensheid”.

Dit geldt ook voor makrelen, vind ik.