Recensie

Recensie Boeken

Met z’n vorige boek won hij de Librisprijs. Deze opvolger bevat vooral geklaag (●●)

Alfred Birney Zijn nieuwe roman is een tirade van iemand die van alles en iedereen genoeg heeft. Je krijgt dan ook een orkaan aan ellende over je uitgestort.

Illustratie Paul van der Steen

Alfred Birney mag de eer van de allereerste verwijzing naar het coronavirus in een Nederlandse literaire roman op zijn naam schrijven. In het eerste hoofdstuk van In de wacht, zijn nieuwe roman, staat in een voetnoot dat hij een bepaalde passage heeft ‘geschreven vóór de uitbraak van het coronavirus’. Die gaat over het probleem, het taboe, van overbevolking: ‘Verspreid anders op de gok een uitgekiende bacterie over de wereld, ergens in Centraal-China, dat tikt lekker aan, die bacterie lift gewoon mee op de jaarlijkse griepgolven, totdat de aarde weer wordt bevolkt door zo’n anderhalf miljard mensen.’

Best cru – Centraal-China, griepgolven, sterfte, alleen die ‘bacterie’ bleek een virus. Het pleit voor de literatuur dat de eerste coronaverwijzing er met gestrekt been in gaat, en aardig is dat de voetnoot ook een zekere dubbelzinnigheid heeft. Ik las er triomfantelijke verbazing in, besmuiktheid over een foute grap die je nu niet meer kunt maken, maar die wel sterk is. Maar Birney bedoelde het als verontschuldiging, zei hij in Het Parool: „Dat virus is niet iets waar je de spot mee kunt drijven, dus ik wilde niet dat mensen zouden denken dat ik er een flauwe grap over maak.”

Het is hier niet de plek om schrijversuitspraken te recenseren, maar het is opmerkelijk dat Birney zich voor het bacteriezinnetje meent te moeten verontschuldigen, al is het nóg frappanter dat hij zich überhaupt verontschuldigt – voor zijn roman. Alan Noland, de verteller en het fictieve alter ego van Birney, neemt in In de wacht juist geen blad voor de mond, of hij nu bevolkingsgroepen en minderheden verbaal kielhaalt of individuen beschimpt. In de wacht is een tirade van iemand die het allemaal zat is en geen seconde geduld heeft met poezeligheid of correctheid.

Duimendraaien

Het is te lezen als een vervolg op De tolk van Java (2016), de roman waarin voor Alfred Birney (1951) na decennia van literaire marginaliteit ineens alles op zijn plek viel. Zijn familiegeschiedenis, het verhaal van zijn vader die in Nederlands-Indië de grootste wreedheden verrichtte in opdracht van de koloniale machthebber, de Hollandse onverschilligheid daarna – voortdurende thema’s in een schrijversleven, die uitbarstten in een geweldsexplosie van een boek. Birney ontving er de Libris Literatuur Prijs 2017 voor, het werd een bestseller. In de wacht volgt het verhaal dat de schrijver daarna overkwam, en waarover hij ook in interviews vertelde: hij moest zijn literaire zegetocht pauzeren, want hij belandde na een hartinfarct in het ziekenhuis.

Lees ook het interview met Alfred Birney: ‘Ik stop met schrijven’, zei Alfred Birney. ‘Nee!’ zei z’n redacteur

Van die ziekenhuistijd is In de wacht het verslag. Noland wacht op medisch onderzoek, maar zijn cardioloog is met vakantie vertrokken, dus ligt hij te duimendraaien, uit te puffen van de geringste inspanning. Het vlees op de botten van die verhaalstructuur is geklaag. Terecht, over die lor van een arts, over de flutdiagnose ‘stress’ (‘een woord dat gebruikt wordt om het geluid van alarmbellen te smoren’), over het multiculturele Nederland en alle etnische groepen, maar ook over een heleboel meer. Over zo’n beetje alle generaties die na hem kwamen (‘verwend grut’), de betuttelende en inconsequente overheid, over televisie, Nederlandse treinen in de winter, lelijke Spaanse hoogbouw, de domheid van mensen op internet, de domheid van mensen op televisie, het overschot aan juffen op basisscholen, de teloorgang van het vak geschiedenis, mensen met onbegrijpelijke genderproblematiek, de farmaceutische industrie.

Oeverloos is het, en dat is hier toch minder goed te verdedigen dan in De tolk van Java, waar de details ook over de oevers van het boek klotsten, maar daar ging het over geweld, salvo na salvo, moordpartij na moordpartij: die vorm maakte de excessen tijdens de onafhankelijkheidsstrijd voelbaar. Nu repeteren zich de onderwerpen die min of meer op maat gesneden zijn voor een Haagse kastelein, de ziekenzaalbuurman van Noland: het is niet goed of het deugt niet.

Jeroen Brouwers

Het is een oneindige, morsige klaagzang, die zelden opzien baart – en dat laatste is nog het vervelendst aan In de wacht. In principe kan het natuurlijk best wat worden, literatuur die zeikt en zevert, gemopper van types die niet in het leven stáán, maar ‘líggen’, ‘ergens aan de periferie, wij dansen niet, wij doen geen boodschappen, wij maken geen plannen, wij liggen op bedden die je op allerlei manieren kunt verstellen zonder ooit de juiste houding te vinden. Het is als jazz, aldoor zoeken naar de mooiste oplossingen zonder die ooit te vinden’, schrijft Birney – en dat is het punt: móói zijn die zoektochten zelden. Slecht schrijft Birney niet, maar zijn tirade biedt te weinig vuurwerk om te blijven boeien.

Daardoor denk je telkens aan andere literatuur, aan recente boeken waarin wél werkt wat hier faalt. Voor bijtend gif en een woest onmachtige doodsreutel kun je beter terecht bij Cliënt E. Busken van Jeroen Brouwers, de leeuwenkuil van identiteitspolitiek zit beter in Salomons oordeel van Robert Vuijsje, de Nederlanders zijn belachelijker in Holland van Rodaan Al Galidi, en talloze scribenten schreven spannender of vlijmender over de onachtzaamheid voor geschiedenis en voortwoekerende trauma’s.

Vaderschap

Maar nog het vaakst denk je aan De tolk van Java, waarop In de wacht soms een aanvulling lijkt, met scènes die eerder op de regievloer gesneuveld waren. Hier gaat het over Nolands moeder – terwijl het echte verhaal dat van vader was, en dat is al verteld. En het leven van de volwassen Birney, Noland, of ‘Meneer B.’, zoals de Haagse gitaarleraar-schrijver zich in zijn dagboeken noemde, was in zijn Privé-domeinboek Niemand bleef (2019) puntiger beschreven.

Waar deze roman iets nieuws biedt, gaat het over het gezin dat Noland zelf stichtte: hij had een onenightstand, waarbij zij haar eisprong verzwegen had en prompt zwanger raakte, maar romantisch werd het niet meer tussen hen. Noland dist herinneringen aan de geboorte van hun zoon Stevie op, inmiddels een blowende tiener die louter ongemak uitstraalt, en hij denkt een beetje na over zijn eigen vaderschap. Dat probeert hij beter te doen dan zijn vader (allicht!) maar een zekere agressie huist nog altijd in hem. Veel dieper gaat het niet. Nergens ontstijgt Noland zijn eigen beperkte, klagerige verhaal – wat nog voor gelaagdheid en literaire diepte had kunnen zorgen. Nu is het resultaat niet alleen een reeks slappe boomer-meningen, maar vooral een verhaal dat niet beklijft.