Opinie

Het oeuvre van Mahler is verplat tot een emoshow

Klassiek Het online Mahler Festival dat het Concertgebouw vanaf deze vrijdag presenteert, bezorgt gemengde gevoelens.
Dirigent Leonard Bernstein in 1970 op het hoogtepunt van Mahlers Symfonie nr. 2in Lenox, Massachusetts.
Dirigent Leonard Bernstein in 1970 op het hoogtepunt van Mahlers Symfonie nr. 2in Lenox, Massachusetts. Foto Bettmann/Getty

Het Concertgebouw presenteert een Mahler Festival Online met eerder opgenomen live-concerten, interviews en documentaires, van 8 tot 17 mei het internet-alternatief voor het geannuleerde Mahlerfestival 2020.

Het noodverband lijkt me zo overbodig als de pijn van het verlies, zeg ik als de musicoloog die op hem afstudeerde, vier jaar na een onvergetelijke kennismaking met de Negende symfonie onder Leonard Bernstein in juni 1985. Die werd een keerpunt in mijn leven.

Ik hoorde een schizofreen monsterverbond van hooggestemde autobiografische jammerklachten en schrille satire op de vlakheid van de wereld, op smaak gebracht met operettekitsch en wreed gepersifleerde boerenhoempa. Was dit überhaupt een componist? In de Negende dwaalt een grote geest in het herfsttij van de romantiek door de ruïnes van de westerse muziekgeschiedenis, de scherven rapend met een theatraal vernuft waarvoor de naam nog niet was uitgevonden. Je hoort een meesterlijk geënsceneerd conflictmodel met dodelijke afloop.

Lees ook: Mahler Festival wordt Mahler Festival Online

In het laatste deel, dat iedereen het droevigste en dus het mooiste vindt, desintegreert de partituur. In extreem langzaam tempo, ‘adagissimo’, komen fluisterzacht huilende strijkers ‘mit inniger Empfindung’ tot stilstand. Daar kondigt zich volgens de communis opinio de dood aan die de meester twee jaar later tot zich riep.

Terminaal genie

Sindsdien staat deze Negende te boek als hartverscheurend afscheid van een terminaal genie, hoewel de springlevende componist nog haast een Tiende zou voltooien en zich rijk zou dirigeren in Amerika – maar drama spreekt nu eenmaal meer tot de verbeelding dan de feiten.

Bij Theodor W. Adorno vond ik de woorden voor de schok. In een invloedrijke monografie portretteert hij Mahler als de grote saboteur van de westerse muziektraditie, die met Trivialmusik uit het souterrain van de muziekcultuur de onaantastbaarheid en de ‘esthetische schijn’ van het Grote Kunstwerk ondermijnt. Door het onderbouwdialect van schlagers, marsen en walsen de elitetaal van de laat-romantische symfonie te laten binnendringen, worden Mahlers symfonieën speelveld van een symbolische klassenstrijd. Precies dat maakt hem voor Adorno sociologisch relevanter dan zijn tijdgenoten. „Want eigenlijk,” schrijft hij, „kan muziek haar maatschappelijke waarheidsgehalte alleen door middel van verzet afdwingen, door opzegging van haar sociale contract.” Op de pathetische twintiger die ik was maakte zijn analyse diepe indruk. Van die betovering is weinig over. Voor de eerste delen van de Zevende en Negende ben ik bereid een maand te vasten. De rest van Mahlers oeuvre doet me niets meer.

Vermoeiend humorloos

Dat ligt zowel aan de muziek, die zo vermoeiend humorloos hoog van de toren blaast, als aan haar Werdegang in de publieke sfeer. Ik herinner me een uitspraak van de Duitse componist Helmut Lachenmann: „Ooit, misschien nu al, zal het onvermijdelijk zijn, Mahler tegen zijn liefhebbers in bescherming te nemen.”

Toen vond ik dat een stuitend arrogante uitspraak. Nu denk ik: daar wordt, in een muziekcultuur die Mahler als profeet en wapenbroeder in de armen sloot, iets wezenlijks gezegd over het noodlottige verband tussen de levensvatbaarheid van een oeuvre en een uitvoeringspraktijk die het verplat tot grote emoshow.

Toen in 1920 het eerste Mahlerfeest plaatsvond, brak initiatiefnemer Willem Mengelberg een lans voor een buiten het Mahlerbolwerk Amsterdam systematisch onbegrepen componist. Intussen is de wereld structureel verslaafd aan Mahler. Geen dirigentenleven lijkt compleet zonder een Mahler-cyclus. Zonder corona zou het naoorlogse Concertgebouw-publiek het derde Mahlerfeest sinds 1995 hebben beleefd.

Lees ook: P.T.Barnum verdient beter dan ‘The Greatest Showman’

In de uitverkochte zalen vindt het alles prachtig. En het hoort echt geen klassenstrijd. Het komt, verslaafd aan indrukwekkendheid en hete tranen, voor grote gevoelens in de turbostand.

De Mahler die het publiek accepteert en bewondert, is de spektakelschilder van de Grote Zijnsvragen, het Laatste Oordeel en de Wederopstanding, het Hemelse Leven, het Noodlot en de Dood.

Ik zie een parallel tussen Mahlers populariteit en de vergroving van het gevoelsleven in zijn gegroeide afhankelijkheid van excessieve prikkels, grote sentimenten, collectieve rituelen; samen zingen, samen rouwen, samen Mahler.

Adorno zag in 1960 al de bui hangen. „Later is men doof geworden voor Mahlers aanval op de burgerlijk private, conventionele vernauwing van muziek.” Men heeft de grote man, schrijft hij, „beschuldigd van esthetische elefantiasis.” Maar dat is geen onterecht verwijt aan een componist die dirigent Bruno Walter verzekert dat hij niet meer naar de bergen hoeft te kijken, nu hij ze hoogstpersoonlijk heeft vereeuwigd in zijn Derde symfonie. De zogenaamd verkeerd begrepen Mahler werd en wordt gevreten.

Martelaar

Het is helaas de echte, die zich tot de mensen richt zoals ze hem verlangen, een martelaar in groots gevecht met de natuur, de ziel en zijn demonen. Daarin schuilt het wezenlijke onderscheid tussen de briljant gespeelde, aan overbewustzijn bezweken reusachtigheid van een Mahler en de ware grootheid. Bij Bach, Mozart, Beethoven, Bruckner of Ligeti geen spoor meer van het lijdende subject achter de muze, alleen hun kunst bleef over. Van Mahler resten ons de man, zijn wil, zijn pathos en zijn imponeergebaar.

Als hij ziet hoe de wereldpremière van zijn kolossaal bezette Achtste symfonie in 1910 wordt aangekondigd als ‘Sinfonie der Tausend’, zegt hij in een vlaag van nobel zelfrespect: „Barnum & Bailey”– het beroemde circus. Dat vat het wel samen. En een circus bleef het, inmiddels meer dan ooit, terwijl op streamingdiensten duizend Mahlercycli wachten. Inclusief Haitinks Zevende en Bernsteins Amsterdamse Negende, die ik op onbewaakte ogenblikken nóg mijn uitgewoonde Mahlerhart laat breken.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.