Zo herken je een slecht gedicht

Gedichten met Deckwitz #4 Hoe lees je een gedicht? In deze serie helpt dichter en columnist Ellen Deckwitz je van je drempelvrees af. Les 4: niet alle poëzie is goed.

Illustratie Jenna Arts

 

Dankzij deze rubriek heb ik bergen post gekregen en anderhalve kilo daarvan betreft de vraag of er eigenlijk wel zoiets als slechte poëzie bestaat. Sommigen denken zelfs dat ik alle gedichten mooi vind. Was dat maar zo, dat zou veel migraineremmers schelen.

Ik vind het idee achter poëzie geweldig, dat je een tekst op meerdere manieren kan lezen, hem als een spiegel of een lens kan gebruiken, dat je de klankrijkheid, mogelijkheden en belemmeringen van taal kan vieren, dat er een mysterie in kaart wordt gebracht. Maar dat wil niet zeggen dat ik voor elk gedicht meteen een fles kwaliteitscola ontkurk. Potentie is iets anders dan uitvoering.

Wat je goed of slecht vindt, is deels een kwestie van smaak en ervaring. Hoe meer je iets doet, of dat nou poëzie lezen, arthousefilms kijken of stand-upcomedy bezoeken is, hoe kritischer je kan worden. Sommige gedichten die ik vroeger te gek vond, vind ik nu flauw. En verzen die ik momenteel waanzinnig vind, kan ik om dezelfde reden over een paar jaar pretentieus of gemakzuchtig vinden.

De waardering van gedichten is een uiterst subjectieve aangelegenheid, maar goed, ik kreeg zo veel verzoeken om voorbeelden dat ik een gedicht zal behandelen dat ik zelf geen Nobelprijs waard vind. Het is van mijn eigen hand, omdat ik het lullig vind om hier anderen te roasten (daar zijn recensies voor). Bedenk dat het louter om een mening gaat, en mocht je het vers toevallig fantastisch vinden dan ben ik gewoon blij voor je, op dezelfde manier dat ik blij ben voor de huidige partners van mijn exen.

Om te beginnen loopt het ritme in dit gedicht allesbehalve soepel, het hort en stoot als een bolderkar op een mijnenveld. Bij poëzie mag je wel verwachten dat het goed bekt. Verder wordt er zo veel gebruikgemaakt van bepaalde technieken dat het geheel verdrinkt in mooischrijverij. Neem de overtollige alliteraties („vlinders fladderen verloren”), de archaïsche taal als „verbruid” of „nochtans”. Je krijgt het gevoel dat het er alleen maar staat om gedichterig over te komen.

Dan de beelden. Vlinders komen al zo vaak voor in liefdesgedichten dat ik als lezer dan denk van ja, hallo, beetje meer originaliteit graag. Verder zijn er onzorgvuldigheden.

Een vlinder wappert niet, hij vliegt, fladdert of dartelt. Als je verliefd bent, zitten de vlinders in je buik, maar hier maken ze een omweg om in het hoofd nog even een liefdesbrandje (cliché!) te blussen. En dan puilt de boel ook nog eens uit van de sentimentaliteit: iemand die van verdriet niet meer kan praten, iemand die denkt dat het de laatste kans was, zonder dat de lezer erachter komt wat er nou precies is gebeurd. Je hebt het maar gewoon aan te nemen.

Het vermoeden ontstaat dat dit vers alleen maar dóét of het een gedicht is, door de geforceerde taal, de onnodige regelafbrekingen, de afgezaagde symboliek in combinatie met het onderwerp. Dat wil overigens niet zeggen dat gedichten met alliteratie, vlinders of klankbreuken per definitie slecht zijn. Het gaat om dosering en combinatie, net zoals een vreselijk gerecht kan bestaan uit ingrediënten die afzonderlijk heerlijk zijn.

Dat ik dit anno 2020 een zwak vers vind, neemt trouwens niet weg dat ik aan het maken destijds veel heb gehad: ik schreef iets van me af en dat bood inzicht en afleiding (het lijkt misschien een beetje oneerlijk dat ik het schrijfwerk van mijn jongere zelf zo afval, maar dit gedicht droeg ik een maand na het schrijven al voor ter vermaak aan mijn vrienden. Lachen om je ellende kan zeer heilzaam zijn).

Wat je een slecht gedicht vindt, is een kwestie van persoonlijke voorkeur, levenservaring en mode. Toen Mei van Gorter uitkwam vond de gevestigde orde der poëzierecensenten het oeverloos gezwam. Een lentemaand met ADHD. De jonge garde dichters vond het juist waanzinnig.

Ik vind het een geruststellende gedachte dat je mening door de jaren heen verandert. Iets wat je eerder niet aansprak, kan je opeens volop raken. Iets wat je mooi vond, kan zijn gloed verliezen zodat er weer ruimte komt voor iets nieuws. En zo blader en wapper je verder, op zoek naar vleugels die je wél waardeert en die je weer even meevoeren, ergens anders heen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.