Opinie

Overgezond

Ellen Deckwitz

Dus zondagavond ging ik hardlopen met de neef (13), die vanwege zijn sombere buien drie keer per week aan cardio moet doen. We stoven door de straten, elke stap een klein verzet tegen de aarde die al zolang we ons kunnen herinneren aan ons trekt, tot we er eindelijk aan toe zullen geven.

Na twee kilometer hoorden we opeens iemand mijn neef roepen. Het bleek een jongen uit zijn jaar en ik zag de neef worstelen: erheen, of toch niet? In het gezelschap van een tante in een uitgelubberd roze joggingpak en die ook nog eens een zweetband droeg? Gelukkig hoefde hij niet te besluiten, want de schoolgenoot kwam al op ons af.

„Jezus”, zei de jongen, „wat zie jij er goed uit!”

„Echt niet”, zei de neef blozend.

„Nee joh”, zei ik, „zie zijn kapsel dan, dat is net een motorhelm van haar.”

„Ik bedoel zijn gezicht”, zei de jongen, „hij is zo bruin!”

Oh ja, daar was ik inmiddels al aan gewend. Waar zijn moeder en ik maar een half uurtje in de zon hoeven te lopen om de rest van de week de brandwondenzalf met verfrollers te moeten aanbrengen, is mijn neef zo’n type dat na de eerste lentedag er meteen zo gebronsd uitziet alsof hij de nacht in een kuip vol zelfbruiner heeft doorgebracht.

„Ben je op vakantie geweest?”, vroeg de jongen.

„Nee joh doe normaal”, zei de neef. Je zag zijn schoolgenoot echter twijfelen. Ze wisselden nog wat wederwaardigheden uit over Zoom en huiswerk, maar echt gemakkelijk werd het niet, en tenslotte namen ze maar afscheid. De neef keek wat bedrukt.

‘Alles goed?”, vroeg ik. „Zie ik er écht uit alsof ik op vakantie ben geweest?” „Je blaakt wel van gezondheid”, mompelde ik.

„Maar ik wil helemaal niet blaken!”

„Nou ja, beter blaken dan eruit zien alsof je de nacht hebt doorgehaald op smarties en crystal meth.”

„Ik wil niet dat iedereen gaat denken dat ik geen respect heb voor de crisis. Dat ik eruitzie alsof ik het beste maak van deze tijd, terwijl er mensen doodgaan en zo.”

Dat was zo’n onzinnige gedachte dat ik even niet wist hoe te reageren. Ik besloot het rentempo nog iets te verhogen. Hopelijk zouden er zo genoeg endorfines vrijkomen om die domme opmerking te vergeten.

„Het hele punt van die lockdown is toch dat je gezond blijft”, zei ik, maar het neefje zat al elders met zijn gedachten.

„Ik ga vanaf morgen elke dag factor vijftig smeren. Dan verdwijnt die kleur vanzelf wel.”

En: „Ik wil dat iedereen weet dat ik de crisis serieus neem.”

En, haast overtuigend: „Ik wou echt dat ik er niet zo goed uitzag.”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.