Opinie

Met ‘niet wegkijken’ steeg het staatshoofd boven de stilte uit

Dodenherdenking

Commentaar

‘Ik schiet vol van die leegte’, schreef dichter Merel Morre op Twitter tijdens de sobere Dodenherdenking van 2020. En zo was het. De leegte zei alles. De koning hield er zijn vermoedelijke belangrijkste toespraak tot nu toe, voor een handjevol aanwezigen, uit eigen kring. En voor de camera. Nederland zat onverwacht en noodgedwongen thuis, met huisarrest vanwege de pandemie.

Dodenherdenking gaat over verbondenheid, oorlog en lijden – dus over identiteit. De rol van staatshoofd en eega is daar symbolisch: ze geven vorm aan de eenheid van volk en staat door aanwezig te zijn, meer niet. Ze plegen als top van het staatscollectief een stoet representanten, deelnemers aan de herdenking en slachtoffers aan te voeren, zwijgend.

Nu stonden ze er alleen, met premier, burgemeester, adjudant en comitévoorzitter, op anderhalve meter van elkaar, op een stenen vlakte. Voor het eerst zou het staatshoofd spreken, vanwege 75 jaar bevrijding. De sfeer was geladen, meer nog dan anders. De lege Dam verbeeldde de gezondheidscrisis, die lege wegen en straten veroorzaakt. Die duizenden slachtoffers kost. En het land bang maakt en onzeker.

In die context diende de koning een groot en leeg plein met woorden te vullen, die verbindend moesten zijn. En liefst niet politiek of controversieel. Wat ingewikkeld is, omdat zoiets nauwelijks in de hand is te houden. Daarvoor is het land te versplinterd, te veel met zichzelf in debat, op een vaak te hoge toon. De verhouding tussen staat en burger is gespannen. De „zeventien miljoen mensen” van Rutte, met hun zestien Kamerfracties, voegen zich evenmin makkelijk naar één vorst. Of naar één kabinet, dat de lege straten vooral via eigen verantwoordelijkheid en zelfdiscipline van de burger realiseerde. Het kabinet riskeerde het machtswoord niet, ook niet toen het erom spande.

Dat Willem-Alexander boven de stilte uitsteeg, de kans greep, soeverein en kritisch was, durfde te reflecteren en voor z’n twijfels en worsteling uitkwam, resulteerde in een sterk persoonlijk en gezaghebbend optreden. Hij bleek niet bang om buiten het veilige frame van Dodenherdenking over helden en offers te treden en oorlogssymbool Wilhelmina te bekritiseren. Hij sprak ieders geweten aan met „Sobibor begon in het Vondelpark”, een zin als een gongslag. Door met wijlen Jules Schelvis, overlever van zeven concentratiekampen, in zijn verhaal mee op te lopen, bracht hij het fundamentele en onoplosbare raadsel van de Holocaust dichtbij: hoe kon dit gebeuren?

Lees ook: Waarom zouden we de Tweede Wereldoorlog niet mogen vergelijken met de coronacrisis?

De mensen die burgermoed toonden, actie ondernamen, persoonlijke risico’s namen – ze werden genoemd, met ere. Maar de nadruk lag toch op wat de koning „de andere realiteit” noemde. Op hen die destijds onvoldoende gesteund en gehoord werden: de Joden. Deze kwestie laat hem niet los en daar kan alleen respect voor worden getoond. Dat we alleen dankzij de vrije democratische rechtsstaat van nu aan de „willekeur en waanzin” van toen kunnen ontkomen, kan niet vaak genoeg worden herhaald. Die vrijheid beschermen en verdedigen is waarom het gaat.

Het meest dringende advies was om daarbij „niet weg te kijken, niet goed te praten, niet uit te wissen”. Niet „normaal” maken wat niet normaal is. Daarmee blijft ook 75 jaar later de oorlog nog steeds een belangrijke morele maatstaf. Waarvan de burger dan niet mag wegkijken, mag hij verder zelf weten. Maar bij deze is hij wel aan de ‘andere realiteit’ van de oorlog herinnerd. Dat mag vaker gezegd worden. Zowel op een lege Dam als op een volle.