Kunst heeft geen baat bij goede bedoelingen

Wereldkunst #7 Nu de kunstwereld onder druk staat, wordt kritiek gezien als oncollegiaal gedrag. Maar kunst heeft een kritisch discours nodig, juist nu. Op het scherp van de snede komt kunst tot leven.

Lucio Fontana, Concetto Spaziale: Attesa, 1966.
Lucio Fontana, Concetto Spaziale: Attesa, 1966. Collectie Stedelijk Museum Amsterdam

Er bleken dus ‘Mondo-haatborrels’ te worden georganiseerd. Dit meldde de literaire website Tzum, die sinds het begin van het prestigieuze nieuwe VPRO-cultuurprogramma in januari de kijkcijfers nauwgezet bijhoudt. Aanvankelijk ging het best aardig: per aflevering keken er zo’n 200.000 mensen naar Mondo. Daarna kwam de klad erin: 95.000 op 5 april, 53.000 op 25 april en afgelopen zaterdag, 2 mei, waren er nog 48.000 over. Ondertussen verzamelde een groepje mensen uit de literatuurhoek, onder wie de schrijvers Jamal Ouariachi en Gustaaf Peek, schrijver/recensent Arie Storm, Querido-redacteur Josje Kraamer en voormalig VPRO-Boeken-presentator Jeroen van Kan, zich tijdens de uitzending in Zoom-sessies om het programma vanaf hun sofa’s gezamenlijk gezellig af te zeiken (waarbij er, aldus een deelnemer, „veel werd gelachen”). Het kwam ze op Twitter op het verwijt van ‘gebrek aan solidariteit’ te staan. Van Kan reageerde daarop geprikkeld: „Moet ik me solidair verklaren met iets wat slecht is? Blij zijn met een mislukt cultuurprogramma omdat het in ieder geval nog een programma over kunst is? Ik vind slecht wat ik slecht vind en mooi wat ik mooi vind.”

Die opmerking bleef hangen. Of beter: het feit dat Van Kans ongegeneerd geventileerde kritiek, zijn gebrek aan solidariteit, zo… ongepast leek. Hatelijk zelfs, vilein – hebben cultuurprogrammamakers het niet al moeilijk genoeg? Alles beter dan geen kunst, toch? En hè, waarom zo negatief?

Het fenomeen kwam me bekend voor: in de krant kan weliswaar nog veel, maar als criticus voel je voortdurend de subtiele druk om vooral de positieve kanten van kunst te belichten. Kritisch is negatief, negatief is destructief – verschillende museumdirecteuren en -curatoren hebben me er de afgelopen jaren al op gewezen dat kritische stukken over hun werk door de politiek als argument worden gebruikt om hun subsidie te korten. Voorzichtigheid is geboden.

Bulldozer

De oorsprong van deze houding is duidelijk. Het begon in 2011, toen Halbe Zijlstra, op dat moment staatssecretaris voor Cultuur, over de kunstwereld heen bulldozerde met honderden miljoenen euro’s aan bezuinigingen. Dat was een enorme klap: de bestaande, toch al fragiele culturele infrastructuur werd zwaar ontregeld. Kunstenaars en bemiddelaars verloren hun bestaanszekerheid, economische motieven begonnen steeds zwaarder te wegen.

Toch was een ander gevolg nóg verstrekkender. Het feit namelijk, dat een democratisch gekozen regering het geen probleem vond om de kunst welbewust in de marge te duwen, én dat ook nog eens deed met nauw verholen leedvermaak, raakte de kunst in haar basis: haar maatschappelijke legitimiteit. Blijkbaar, zo concludeerden op dat moment veel mensen die werken in de kunst, was kunst niet vanzelfsprekend meer. Moest kunst worden verdedigd. En dus werden de rijen gesloten. Openlijke kritiek mocht nog wel, natuurlijk, maar altijd dreigde het verwijt van oncollegialiteit, van afvalligheid, van heulen met de vijand. De kunst ging voor alles.

Hoe begrijpelijk die reactie ook was, het gesprek over kunst raakte daardoor in het defensief – kritisch denken, artistieke discussies belandden in een neerwaartse spiraal. Tentoonstellingsmakers, critici, programmamakers, die bijna allemaal in die functies werken omdat ze van kunst houden, begonnen zichzelf op te werpen als kunstverdedigers – Feind hört mit. Kritische, of beter, scherpe recensies zijn sindsdien zeldzamer (al zijn ze nog niet verdwenen) en kunstjournalistiek lijkt steeds vaker op pr – ook al omdat media die toch al niet zo in cultuur geïnteresseerd zijn, kritische recensies verspilling van hun kostbare ruimte vinden.

Zo wordt kunst steeds meer gedegradeerd tot de enthousiaste puppy van de maatschappij, zich, wanhopig kwispelend om aandacht

Ondertussen roken ook politici en beleidsmakers hun kans: ze zijn steeds meer eisen gaan stellen aan kunstenaars. Kunst moet bijdragen aan emancipatie, aan integratie, aan het herschrijven van de geschiedenis. En omdat, vrijwel tegelijk, binnen de kunst het nieuwe engagement opkwam, komt de artistieke autonomie steeds verder onder druk te staan. Van kunstenaars wordt tegenwoordig verwacht dat ze leveren: schoonheid, ontspanning, engagement, steun voor een politieke agenda.

Tegelijk wordt de kunstwereld ook voorzichtiger, want levert ze niet dan dreigen er financiële kortingen. Zo wordt kunst steeds meer gedegradeerd tot de enthousiaste puppy van de maatschappij die zich, om maar aandacht te krijgen, steeds wanhopiger kwispelend aan de voeten van zijn stuurse baasje werpt.

Ook nu, tijdens de coronacrisis, zag je het weer: al die kunstenaars en critici die gretig wijzen op het nut van kunst. Kijk hoe iedereen met kunst zijn verveling bestrijdt! Hoe goed kunstenaars met onvoorspelbaarheid kunnen omgaan! Waarom zit er nog geen kunstenaar in het Outbreak Management Team?

Lees ook dit opiniestuk van acteur Ramsey Nasr: In tijden van corona biedt kunst houvast door mee te wankelen

Het is een misverstand. Kunstenaars en critici die trots zijn op het nut van kunst, bevestigen louter het frame waarmee de Halbe Zijlstra’s van deze wereld de kunst de afgelopen jaren het neoliberale discours in hebben proberen te manoeuvreren: het idee dat de maatschappij alleen aan kunst hoeft bij te dragen als ze aanwijsbaar nut heeft. Maar dat is het hele punt: kortetermijnnut, leveringsnut, Zijlstra-nut is voor kunst volkomen contraproductief. Door zich op zulk nut te richten, verliest ze haar belangrijkste kracht: haar autonomie. Die term is beladen geworden, ik weet het, want het kunstvijandige deel van de maatschappij heeft autonomie de afgelopen jaren slim geframed als synoniem voor hooghartigheid of onverschilligheid. Maar het is omgekeerd: juist in autonomie toont kunst haar ultieme maatschappelijke betrokkenheid.

Romantiek

Het idee van de autonome kunstenaar ontstond aan het begin van de negentiende eeuw, omdat kunstenaars, in een fascinerende vlaag van verlichting, gecombineerd met romantiek, de behoefte kregen zich op volstrekt persoonlijke wijze te gaan uiten. Weg met de afhankelijkheid van staat of opdrachtgever: de eigen wereld, de eigen ideeën van de kunstenaar werden het hoogste goed. En het werkte; na enig gesteggel vonden kunst en maatschappij elkaar in een fascinerende balancing act waarin ze gezamenlijk besloten, weliswaar onuitgesproken, dat kunstenaars zich niet langer druk hoefden te maken om de normale regels van markt en schoonheid en ethiek – ze kregen autonomie.

Daarbinnen mochten ze doen wat ze wilden: nieuwe vormen van schoonheid opzoeken, ideeën genereren, vergezichten openen. En dat bleek de maatschappij heel goed te kunnen gebruiken. Maar het balanceren bleef, want het autonomie-model werkt het beste als de kunstenaar de grenzen zo opzoekt dat de maatschappij er niet goed raad mee weet – en de kunstenaar desondanks toch geen restricties oplegt. Juist in de spanning levert kunst, paradoxaal genoeg, de maatschappij het meeste ‘op’: nieuwe visies op de wereld, nieuwe vormen van schoonheid, bestaande maatschappelijke processen die worden uitgedaagd, grenzen verkend. Soms zelf gewoon vermaak.

Maar daarvoor zijn autonomie en vertrouwen onontbeerlijk. En laten dat nu net de twee kenmerken zijn, die door de Zijlstra’s van deze wereld voortdurend op de proef worden gesteld. Zwaaiend met het frame van hooghartigheid en nutteloosheid, offeren ze de kunst gemakzuchtig op het altaar van kortetermijnnut en profijt. Van dat frame moeten we dus snel af. Kunstenaars moeten weer tijd krijgen, en vertrouwen. Daarvoor is natuurlijk geld nodig, maar laten we eerlijk zijn: de bedragen waarover het gaat zijn een marginale investering vergeleken met het geld dat wordt gestoken in andere economische sectoren die niet aantoonbaar rendabeler zijn – en een stuk saaier.

De neerwaartse spiraal moet dus worden gekeerd. Zo komen we op bekend terrein: laat kunstenaars, theatermakers, schrijvers en critici het minder over geld hebben (daar zijn instellingen, beroepsverenigingen, vakbonden, Mondriaan Fondsen voor) en simpelweg het beste, krachtigste, uitdagendste werk gaan maken dat ze kunnen. En nóg belangrijker: kunst moet van haar voorzichtigheid af. Weg met dat dienende, dat machteloze. Laat kunst haar eigen kracht erkennen.

Wie kunst belangrijk vindt, echt belangrijk, toont ook de twijfel, woede of afkeer als een kunstenaar slecht werk levert

Daarom: fuck de goede bedoelingen. Wie kunst belangrijk vindt, echt belangrijk, spreekt vanzelfsprekend hartstochtelijk zijn of haar liefde ervoor uit. Maar die toont ook de twijfel, de woede of de afkeer, als een kunstenaar of een tentoonstellingsmaker slecht werk levert – want dat gebeurt óók, echt waar. Kritiek is juist betrokkenheid, kritiek laat zien dat de kunst zichzelf serieus neemt, dat kunstenaars en critici er niet bang voor zijn elkaar beter en scherper te maken – én dat ze niet bang zijn voor anderen.

Natuurlijk is kritiek geven én ontvangen eng. Het was de laatste jaren net zo knus, met z’n allen in de bubbel, en straks staat die ander voor je op een opening. Maar hé, als een afkerige reactie het grootste gevaar is dat je loopt in je werkende leven, heb je het misschien niet slecht getroffen. Bovendien: alleen al de gedachte aan zo’n reactie zou voor de criticus een extra reden moeten zijn zijn of haar kritiek zo precies mogelijk te formuleren, en elke kunstenaar met enig lef beseft dat zulke kritiek het begin kan zijn van een gesprek over het werk. Juist in zulke gesprekken, op het scherp van de snede, komt kunst tot leven.

Dat is ook waar het misgaat met Mondo. Je voelt aan alles dat redactie en presentatrice het goed bedoelen: gevarieerde agenda, alle kunsten aan bod, pleidooien voor alles en nog wat. Maar er ontstaat veel te zelden een echt gesprek. Dat ligt niet alleen aan presentatrice Nadia Moussaid, die nog niet zo lang geleden glorieerde als scherpe, aanstekelijke vervangster van Eva Jinek – maar nu zit vastgeklonken aan het frame ‘kunst is fijn, kunst is leuk en kunst moet worden verdedigd’.

Dan krijg je dus een item waarin Wim Pijbes vijftien minuten lang het steunpakket van 300 miljoen mag toelichten zonder dat Moussaid ook maar één kritische vraag durft te stellen. Of Marjolijn van Heemstra en Merlijn Twaalfhoven die ongeremd mogen uitwijden over hun ‘Academie voor Onzekerheidsvaardigheid’ – een pijnlijke, Alain de Botton-achtige exercitie van twee goedbedoelende kunstenaars die zelf niet doorhebben hoe zelfingenomen ze overkomen. Mondo zou goed worden als Moussaid hen zou uitdagen, met kritiek zou confronteren, hun nieren zou proeven. Als je alles en iedereen prijst, verliest dat prijzen zijn betekenis.

Hopelijk maakt Mondo dan ook snel een nieuwe start, en krijgt Moussaid daarbij de gelegenheid haar oude scherpte en aanstekelijkheid weer van stal te halen. In die rol zou ik haar graag de sofacriticasters Jamal Ouariachi en Arie Storm zien interviewen, die dan en plein public zouden mogen uitleggen wat ze zo verschrikkelijk vinden aan haar programma – dat zou wel eens fascinerende, schurende tv kunnen opleveren. Zodat we opnieuw beseffen dat praten over kunst geen vrijblijvend vermaak is, maar dat het de essentie van kunst vertegenwoordigt.