Danny Vera

Foto Andreas Terlaak

Interview

‘Ik schrijf over het leven, de dood en alles ertussenin’

Interview Danny Vera Zanger Danny Vera had concerten zullen geven in de AFAS Live en op Pinkpop. Nu maakt hij ‘homerecordings’ en werkt hij aan een nieuw album. „Een pas op de plaats is best fijn.”

Eind april zou zanger Danny Vera, de Zeeuwse americana-muzikant die zich vorig jaar naar de top van de Top 2000 zong met ‘Rollercoaster’, zijn tot nu grootste show in de AFAS Live (6.000 mensen) geven. Die had hij, tot zijn verbazing, binnen vier dagen uitverkocht. Daarnaast zou Vera in juni debuteren op Pinkpop en spelen met het Metropole Orkest in het Concertgebouw.

„Supertoffe optredens, maar dat doen we dan wel weer een andere keer”, zegt Danny Vera, even nuchter als berustend, in een Skypegesprek vanuit Middelburg. De zanger – vetkuif, snor, subtiel sikje, tatoeages op de armen – zit voor zijn computer aan de eettafel van zijn gerenoveerde ouderlijke huis. „Ik ben niet van: iets moet nu. Ik ben bijna 43 jaar. Of ik nu op Pinkpop sta of op mijn 44ste, dat maakt mij geen hol uit. Dat is anders dan dat je het als twintiger voelen kan en alles gelijk moet.”

The Lone Stranger theatertour continueert – hopelijk – in september. Dan volgt de uitgestelde clubtournee die zijn komende nieuwe album ondersteunt. Maar om eerlijk te zijn, zegt Vera, komt hij nu eindelijk een beetje aan dingen toe. „We hebben de afgelopen tien jaar een sprint ingezet en we zijn niet meer gestopt. Een pas op de plaats is best even fijn. Dat mensen ziek zijn, de economie een vrije val maakt, dat vind ik heel erg. Maar we zijn ook met zijn allen eens goed aan het nadenken over de planeet. En kijk hoe we nu videobellen. Heel goed toch, niet weer die auto in? En al die onnodige vliegreizen die nu niet hoeven.”

Toch sta jij niet helemaal stil. Om de haverklap verschijnen er ‘Home Recordings’.

„Ja, al die artiesten en hun livestreams. Ik deed er ook twee voor de radio. En nu neem ik elke week thuis iets op. Bij de muziekwinkel zag ik twee microfoons voor een zacht prijsje. Wat snoertjes, standaards en hup, aangesloten. De volgende dag zong ik ‘Hold on To let Go’ in, eigenlijk een liedje voor mijn nieuwe album. Dat bleek niet eens zo verkeerd opgenomen. Ik draai ook maar wat aan die knoppen. Nu heeft dat liedje ruim 550.000 streams.”

Dan levert zo’n isolement onverwacht mooie dingen op.

„Vind ik zeker. Het wordt ook een elpeetje, die thuisopnames bij elkaar. Ik geniet van de rust om aan mijn nieuwe plaat te werken. Je hoort wel eens dat artiesten overlopen van nummers. Ik kwam nooit verder dan de nodige twaalf liedjes. Ik heb nu 22 songs. Afgelopen week schreef ik er zo twee. Ik voel me heel geïnspireerd.”

Volgende week ga je dat nieuwe album opnemen. Hoe werkt dat in deze tijd?

„We zitten twee weken in Wisseloord in Hilversum, in een grote studioruimte met zijn zessen. Bij opnames zit je altijd al ver uit elkaar om overspraak te voorkomen. En ik zit altijd al in een hok te zingen. De opnamedagen zijn enkel veel korter omdat je er niet kunt eten. En ik rij elke dag terug naar Zeeland.”

Wat voor album heb je voor ogen?

„Een mooie jarenzestigsound. Alles zal ruimer klinken, de drums gaan naar de achtergrond. Ken je die ruimtelijke opnames van het label Stax Records, met koortjes die net uit de hoek van de kamer lijken te komen? Dat is het streven. Ik ben niet per se iemand die in de jaren vijftig en zestig had willen leven, maar ik hou van dat nostalgische geluid.

„Ik schrijf over de liefde, het leven, de dood en alle dingen die me d’r tussenin storen. Het is wat in me op komt. In ‘Goldrush’ zing ik over hoe teleurgesteld ik was na mijn laatste bezoek aan Nashville. Hoe die stad haar authenticiteit, haar ziel verkocht aan vastgoed en het grote geld. Het is altijd persoonlijk bij mij. Dat is country, verhalen vertellen. Ik vind dat het allerleukste aan muziek.”

In je shows benadruk je altijd dat je het zo bijzonder vindt dat ze naar iemand komen luisteren van wie ze geen liedje kennen.

„Ze kopen toch maar een kaartje, denk ik dan. Ik was lang een muzikant zonder hits. Maar door ‘Rollercoaster’ is er wel wat veranderd. Laatst in de Oosterpoort kreeg ik bij opkomst een golf van applaus over me heen. Zo! Ben ik niet gewend. Meestal moet ik ze de eerste vijf à tien liedjes winnen. Nederlanders kunnen teringmoeilijk publiek zijn. Het is altijd: kom maar op met je gekke kuif en je snor en je gekke pakkie. Heb je ze eenmaal, ja dan wel.”

Je hit ‘Rollercoaster’ is, mede door een reclame, nu ook een steun-in-coronatijd-tune geworden.

„Elke dag komen ze, de mails. Mijn vader ligt op sterven, kun je dit liedje komen spelen? Mijn oma is jarig, we kunnen haar niet zien. We zijn getrouwd op dit liedje. Een stortvloed. Ik beantwoordde ze eerst allemaal zelf, maar het valt gewoon niet bij te houden. Tragisch soms, de begrafenis van een verbrand jongetje. De mensen zoeken support. Joh, ik kan dat gewoon niet aan. Ik ben maar een liedjesschrijver. Benaderbaar hoor, ook na afloop van de shows. Maar rustig aan, niet raar doen.”

Je lijkt me op het podium niet heel anders dan ernaast.

„Je krijgt bij mij geen bullshit. Zit er iemand op de eerste rij te ouwehoeren vraag ik of ie even zijn bakkes wil houden. En in mijn theatershows krijg je echt wel mooie dingen hoor. Met strijkers en blazers. Ik neem altijd een risico. Ik ben niet iemand die er met de pet naar gooit. Bij mij is het puur muziek met wat slap geouwehoer tussendoor.”

Vanaf je twintigste werk je serieus aan je muziek. Een korte tijd ging je naar de Rockacademie, maar het duurde lang voor je opgemerkt werd.

„Als iemand een liedje wilde horen, kwam ik met mijn gitaar. Ik heb het eerder gezegd: vanuit de stront werkte ik me omhoog. In 2003 had ik in Turkije een onverwacht succesje. Even was ik er de Elvis Presley. Drie dagen. En dat was het. Nooit meer wat gehoord. Toen moest het dieptepunt in 2004 nog komen.”

Danny Vera

Foto Andreas Terlaak

Wat was er dan?

„Ik had veel geld gestoken in een plaat. Maar mijn platenlabel zag het niet meer met me zitten. Toen heb ik alle Van Leest-muziekwinkels gebeld of ze mijn albums niet in consignatie wilden verkopen. Dat kon. Alleen stuurden ze ze na drie weken terug. Kon ik al dat inmiddels uitgegeven geld terugbetalen. Toen meldde de TROS zich met het Muziekfeest op het Plein. Heel vriendelijke lui, maar iedereen vroeg zich af wat ik daar deed. En ik zelf ook. Playbacken, haha, mijn god. Maar ja, ik zat met mijn handen in het haar, ik woon in Zeeland hè, ik heb geen kruiwagens. Daarna negeerden alle radiozenders en serieuze muziekkenners mij helemaal.”

Hoe bleef je overeind?

„Door te spelen op bedrijfsfeestjes waar iedereen zo snel mogelijk lam wordt. In bars met je akoestische gitaar, terwijl iedereen erdoorheen lult. Etende mensen die je aankijken van: joh, kun je niet wat zachter spelen. Huiskamerconcerten. Steeds vaker zei ik tegen mijn vrouw: dit wordt te sneu, ik moet een fatsoenlijke baan nemen. Zo was ik af en aan ook airbrusher. Ik deed kermisattracties, vrachtwagens en we maakten borden voor de Duitse kerstmarkt. Lang heb ik nog liggen dromen van die kerstmannetjes. En aan Kerst had ik al zo’n hekel, haha.”

Dat je nu geld verdient met je muziek lijkt me een groot genoegen.

„Clubs en theaters boekten me pas vanaf 2015. Vanaf 2017 verdien ik ermee. Wat me vooral genoegen geeft, is dat ik mijn tournee kan aankleden. En dat ik twee dagen langer in de studio kan zitten als dat nodig is. Mijn vrouw en ik zijn verder geen types die veel uit eten gaan, we hebben een redelijk goedkope smaak. Op mijn verzameling Gretsch-gitaren na.”

Maar terug naar 2009, toen je nog in zak en as zat. Johan Derksen heeft veel veranderd.

„Oh ja, ik zou dus een gewone baan gaan zoeken. Tot Johan Derksen me vroeg bij voetbalprogramma Voetbal Inside. Een kans op nationale televisie! Ik hield er 25 euro per dag aan over, maar ik speelde eigen muziek en leuke gezellige liedjes die de mensen kenden. Dat programma groeide en ik bleef. Johan en die jongens vinden het fijn als alles hetzelfde is en ik raakte gewend aan camera’s, de gekkigheid achter de schermen. Met de jaren groeide het salaris gelukkig ook.”

Eén ding is altijd onveranderd gebleven: jouw stijl.

„Mijn vader zong in een easy listening countrybandje. In de platenkast stonden The Righteous Brothers met ‘Unchained Melody’. Vond ik mooi. Roy Orbison ook: zwart haar, zwarte zonnebril. Als tiener was ik weg van de tv-cd’s met jarenzestigrock van de Amerikaanse tv-serie Tour of Duty. En ook vintage Levi’s-reclames. Of videoclips met akoestische gitaren. Nieuwe muziek zei me niks. Mijn kamer was ingericht als een Amerikaanse diner: pastelroze met mintgroen. Een tweedehands koelkast met colaflesjes. Lucky Strike. In de jukebox van mijn ouders kwam Elvis. ‘All Shook Up’; ik was verkocht. Ik loop met die kuif sinds de mavo.”

De Vera in je artiestennaam was je moeder en de bloemenwinkel van je ouders.

„Mijn moeder was mijn grootste fan. In onze bloemenkiosk zat ik vaak te kleuren. Ik hielp met kerststukjes. Middenstand hè. Ploeteren. Drie klanten soms maar op een dag. Mijn vader en opa zaten ook in antiek. Ik herinner me partijen ouwe rommel. Van bloemen heb ik zelf nooit gehouden. Mooi hoor, maar het is net als met vogels. Die moeten vliegen. Bloemen horen in een veld. Zo’n bos zien verdorren op tafel, nee. Ik heb een palm in mijn tuin staan.”

Je album ‘Pressure Makes Diamonds’ heeft nu een platinastatus. Maar we zagen je bij Jinek al duidelijk maken dat je daar weinig om geeft.

„Ik vind het een poppenkast, een betaalde eer. Maar ik ben wel trots. Jaren had ik mijn kelder vol liggen met onverkochte albums. En nu verkoop ik er toch mooi 40.000. Genoeg mensen zeiden dat ik iets anders moest gaan doen. Nederlandstalig zingen. Iets met een rapper ofzo. Ik werk hard voor mijn muziek, en het is heel veel leuker dat het lukt nu, in plaats van naar Purmerend rijden voor net zestig man.”