Gemeenten: we kunnen niet alle cultuurinstellingen redden

Steunpakket gemeenten De 300 miljoen euro steun voor de cultuursector gaat vooral naar door het Rijk gesubsideerde instellingen. Maar veel musea en theaters zijn afhankelijk van gemeenten, en juist die kampen met een nijpend geldtekort.

Illustraties Kamagurka

Het Tassenmuseum in Amsterdam zal na de coronacrisis niet meer opengaan. Het is het eerste museum dat vorige week door de lockdown omviel. Het museum kon het verlies aan bezoekersinkomsten niet opvangen, nieuwe subsidies of sponsors werden niet gevonden, 32 medewerkers verliezen hun baan.

Meer culturele instellingen worden in hun voortbestaan bedreigd. Eén op de drie theaters en concertpodia dreigt de zomer niet te halen, blijkt uit onderzoek van bureau Berenschot in opdracht van de Vereniging van Schouwburg- en Concertgebouwdirecties. Ook veel musea hebben het moeilijk. Het kabinet maakte half april 300 miljoen euro vrij voor de cultuursector, maar dat geld is merendeels bedoeld voor de grotere, door het Rijk gesubsidieerde instellingen en gezelschappen, zoals de rijksmusea. De directeuren van de vier grote kunstmusea (Stedelijk Museum Amsterdam, Museum Boijmans Van Beuningen, Kunstmuseum Den Haag en Centraal Museum Utrecht) herhaalden dinsdag in een brandbrief in Het Parool een eerdere oproep om ook de gemeentelijke en provinciaal gefinancierde musea te steunen.

Twee op de drie musea, theaters en gezelschappen ontvangen geen subsidie van het Rijk. Ze worden gesteund door gemeenten en provincies of draaien op eigen inkomsten. Minister Ingrid van Engelshoven heeft 10 procent van het steunpakket, dat is 30 miljoen euro, gereserveerd voor deze groep, op voorwaarde dat regio’s zelf bij elke aanvraag evenveel geld bijleggen.

Lees ook: Pas na felle kritiek kwam minister Van Engelshoven met een steunpakket

Brabant kwam al met de contouren van een plan. De provincie en vijf grote Brabantse steden sprokkelden 8 miljoen euro bijeen. Daar kunnen de zes grootste Brabantse musea mee worden gered. Over andere instellingen wordt nog nagedacht.

Coronaschade

Niet alle regio’s hebben zoveel geld. Veel gemeenten kregen al voor de coronacrisis hun begroting nauwelijks sluitend. Het geldgebrek wordt nu nog nijpender, omdat in nood geraakte ondernemers, verenigingen en culturele instellingen ondersteuning vragen. Het kabinet heeft met de gemeenten de principe-afspraak gemaakt dat zij financiële compensatie krijgen voor de coronaschade, ook die aan de culturele sector. Een bedrag is nog niet afgesproken.

De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) inventariseert hoe groot die schade is. Sommige grote gemeenten maakten al voorlopige bedragen bekend. In Amsterdam lijden de culturele instellingen tot 1 juni samen bruto 135,8 miljoen euro verlies, in Rotterdam 21 miljoen en Utrecht 5,4 miljoen. En als musea en theaters langer dichtblijven of na de heropening minder bezoekers mogen toelaten, loopt de schade verder op.

Sjoerd Feitsma (PvdA), wethouder cultuur in Leeuwarden, heeft namens de VNG bijna wekelijks contact met het ministerie van OCW. Gemeenten staan voor moeilijke keuzes, zegt hij. „Ze moeten in kaart brengen wat vitale instellingen zijn voor hun culturele infrastructuur. We moeten realistisch zijn, we kunnen niet alles overeind houden. Er zullen musea, theaters en gezelschappen afvallen.”

Volgens Feitsma zijn niet alleen gevestigde instellingen in gevaar, maar wordt ook de aanwas van jong talent bedreigd. „Neem het Friese theatergezelschap Tryater. Dat is een belangrijke kweekvijver. Het gezelschap zelf is niet in acute nood, want het krijgt subsidie van het Rijk. Maar de talentontwikkeling valt niet onder die financiering. Het is de vraag of de gemeente en provincie daar geld voor kunnen vinden. Die moeten al genoeg theaters in de benen houden.”

Lees ook: ‘De gemeente wil dat we overleven, maar hoe?’

Gemeenten mogen dan financiële problemen hebben, bij de provincies is nog wel wat geld, zegt Michiel Rijsberman, die namens het Interprovinciaal Overleg (IPO) met het ministerie praat. Hoeveel geld precies kan de D66’er niet zeggen, ook niet voor zijn eigen provincie Flevoland, waar hij gedeputeerde is. „We zijn nu de jaarrekening van 2019 aan het afronden. Ik denk niet dat we net zoveel over hebben als Brabant, maar toch wel iets. Een deel is nodig voor de stikstofmaatregelen en de toerisme- en recreatiesector, die wordt ook hard geraakt. Een ander deel zullen we besteden aan cultuur.”

Hij zegt dat het complex is om te kiezen waar het geld naartoe moet. „In Flevoland hebben we niet veel culturele instellingen, dus ik vind eigenlijk alles essentieel. Maar het is zonde om geld te steken in iets waarvan je voorziet dat het over twee maanden alsnog omvalt.”

Bij IPO en VNG waren er zorgen dat de minister de 30 miljoen euro alleen wil gebruiken voor regionale instellingen die van landelijk belang worden geacht. Zoals podia waar door het Rijk gesubsidieerde gezelschappen optreden. De keuze waar het geld heen gaat, moet bij de regio’s zelf liggen, vinden VNG en IPO. Die kunnen beter overzien wat de impact is als een instelling verdwijnt. Het ministerie wilde bij het toekennen van steun het principe ‘wie het eerst komt, wie het eerst maalt’ hanteren. Snel hulp bieden is goed, maar dit zou te haastig zijn, vonden VNG en IPO. „Dan zou ook dit geld voornamelijk terechtkomen bij de grote steden, omdat die meer ambtenaren hebben om alles uit te zoeken”, zegt Rijsberman.

De Tweede Kamer luisterde naar de bezwaren. De coalitiepartijen eisten in een motie dat het geld regionaal gespreid wordt. „Het zou goed zijn als er één deadline komt voor alle aanvragen”, zegt Rijsberman. „Dan kan er beoordeeld worden op kwaliteit en spreiding. Anders wordt het een survival of the fastest.”