Opinie

Een beetje zelfspot is gezond, ook voor arts

Emma Bruns

Wat niemand je vertelt als je geneeskunde gaat studeren, is dat een dokter zichzelf niet te serieus moet nemen. Het mag dan een vitaal beroep zijn en inderdaad, het gaat over leven en dood, maar eigenlijk juist daarom. Als je elke ochtend om zeven uur een schaars verlichte betonnen bunker binnenloopt om weer te verdrinken in de stroperigheid van bureaucratie en de geuren van ziekte en verderf, kan je maar beter zorgen dat er wat te lachen valt.

Gisteren zag ik een man op de spoedeisende hulp. Het was een Spaanse metselaar uit Murcia van een jaar of vijftig. Hij had een paar weken geleden per ongeluk het topje van zijn linkermiddelvinger afgezaagd maar had niet naar het ziekenhuis durven komen vanwege de coronacrisis. Inmiddels was de resterende vinger verdubbeld in grootte en waren de wondranden erg ontstoken. Vanwege de onhoudbare pijn was hij toch maar gekomen. In hakkelend Spaans maakte ik hem duidelijk dat we zijn vinger waarschijnlijk niet konden redden. Hij lachte schuchter met een mond die scheef was gaan staan van jaren metselen en shag roken. „Ik ben toch nooit erg goed geweest in tellen.”

Het is niet eens zozeer de humor maar het vermogen om de relativiteit van de situatie in te zien. Nog meer dan dat, de nietigheid van jezelf als professional. Zeker als jonge vrouwelijke arts krijg je regelmatig te horen: „En, wanneer komt de dokter?” Je krijgt het gevoel dat je dan nog meer moet bewijzen dat je heus een autoriteit bent. Maar eigenlijk is zelfspot, het vermogen om jezelf niet al te serieus te nemen en de dingen waar je niet zeker van bent (en dat zijn er in de geneeskunde nogal wat) te benoemen, een teken van kwaliteit.

Aangekomen op de operatiekamer klinken Snelle en Davina Michelle. De chirurg met wie ik ga opereren leeft schaamteloos op. „Het liefst luister ik de hele dag naar 100%NL.” We leggen de vinger netjes open tot waar de ontsteking heeft gewoed, maken alles schoon en hechten het zo goed en zo kwaad als dat kan weer aan elkaar. De muziek op de achtergrond, de flauwe grappen tussen de anesthesioloog en mijn supervisor; na anderhalve maand op de intensive care ben ik blij om weer terug te zijn. De chirurgie is een eerlijk vak, het weefsel liegt nooit en de diagnose kan hard zijn. Maar de sfeer op de operatiekamer en die van het gesprek met de patiënt bepalen evenzeer de beleving.

En dat geldt misschien niet alleen voor de zorg. De laatste noten van Snelle en Davina gaan naadloos over in het journaal. KLM ontvangt zo’n vier miljard euro aan staatssteun. De culturele sector kreeg 300 miljoen. Wat mij betreft zijn Claudia de Breij, Wim Helsen, Gummbah, Sander van de Pavert (LuckyTV) en alle mensen die van niets iets hebben gemaakt in deze tijd de echte helden. Zonder hen was het één grote sombere bedoening geworden.

Terwijl Shackleton en zijn mannen bijna doodvroren op weg naar Antarctica, zongen ze nog met de banjo mee; op menig Italiaanse binnenplaats werden de afgelopen maanden opera’s gezongen; zelfs in Auschwitz beschrijft Viktor Frankl hoe gevangenen hun soep even lieten staan om een lied te zingen.

Het leven gaat gepaard met een aanzienlijke hoeveelheid leed, iets wat je in de spreekkamer en aan het bed in een ziekenhuis dagelijks ziet. Af en toe kunnen we iets doen om pijn te verlichten of het leven te verlengen. Maar al met al is een mens veel meer dan een zak gevuld met vitale organen. Je moet er wat van maken en af en toe een beetje kunnen lachen om je eigen onvermogen; anders is er niets vitaals aan.

Emma Bruns is arts-onderzoeker en chirurg in opleiding.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.