Ad Zonneveld maakte als 11-jarig jongetje Zwarte Maandag mee, de schietpartij op de Dam op 7 mei 1945.

Foto Frank Ruiter

Interview

De dag dat de oorlog toch niet voorbij was

Ad Zonneveld

Ooggetuige

In het vacuüm tussen bezetting en bevrijding vielen op de Dam bij een zinloze schietpartij tientallen doden. Ad Zonneveld groeide in de buurt op en was erbij.

Hij herinnert zich de provocatie nog precies. De mannen van de Binnenlandse Strijdkrachten, in hun stoere, blauwe uniformen, die een Duitse militair hadden aangehouden. Ze joegen hem de Dam op, agressief schreeuwend en zwaaiend met hun wapens. „Ik schrok van hun stenguns en van hun agressie,” zegt Ad Zonneveld. „Ik weet nog dat ik dacht: hier komt ellende van.”

Op 7 mei 1945, twee dagen na de Duitse capitulatie, was Zonneveld (86) op de Dam in Amsterdam. Hij was daar ooggetuige van een even gruwelijke als zinloze gebeurtenis: Duitse militairen die vanaf een balkon het vuur openden op een grote menigte feestvierende Amsterdammers. Meer dan dertig burgers vonden die dag de dood, zeker honderd mensen raakten gewond. De schietpartij zou de geschiedenis ingaan als ‘Zwarte Maandag’ – en de bevrijding in de hoofdstad een donkere rand geven.

Elf jaar oud was Zonneveld in de meidagen van 1945. Hij woonde in de Gravenstraat, een smal straatje achter de Nieuwe Kerk. Zijn vader had er een winkel in fruit en levensmiddelen. „Een fruitmand van Zonneveld, altijd welkom”, stond er op een bord voor de deur. De familie – vader, moeder, drie broers en een zus – woonde boven de winkel, in een woning van twee kamers plus zolder. Er was één toilet, achter de winkel. „We waren een katholiek gezin, streng maar veilig. Je deed wat je ouders deden.”

De Zonnevelds waren de oorlog relatief goed doorgekomen. Ads vader had de winkel in 1942 gesloten, omdat hij geen bord met „Verboden voor joden” wilde plaatsen. De rest van de oorlog aten ze van de voorraad: chocoladehagelslag, kunsthoning van Friesche Vlag, peulvruchten die zijn vader in Alkmaar ruilde tegen jenever. „We hebben geen honger gehad, ook niet tijdens de hongerwinter.”

Bomscherven verzamelen

Voor de jonge Zonneveld was de oorlog eigenlijk best spannend en leuk geweest. Het laatste jaar ging hij, zoals bijna alle kinderen in Amsterdam, niet meer naar school: op de katholieke lagere school Sancta Maria op de Prinsengracht waren de kolen voor de kachel op. Dus ging hij de straat op, beetje rondstruinen met vriendjes. Bomscherven verzamelen na een bombardement, of in de rij staan bij een gaarkeuken – gewoon, voor het avontuur. „We gingen naar het Centraal Station, waar de rangerende treinen met kolen bewaakt werden. Ze schoten op ons, maar dat vonden we wel spannend.”

Toen de bevrijding kwam, wilde Zonneveld daar vanzelfsprekend niets van missen. Op 5 mei waren de Duitsers de capitulatie in Nederland overeengekomen, in hotel De Wereld in Wageningen. Maar in Amsterdam waren de Engelsen en Canadezen nog in geen velden of wegen te bekennen. De stad bevond zich in een wonderlijk vacuüm tussen bezetting en bevrijding. Dat zag je ook op straat: daar paradeerden de mannen van de Binnenlandse Strijdkrachten (BS), de verzamelde verzetsgroepen die onder leiding stonden van Prins Bernhard. Maar ook Duitse militairen liepen nog gewoon rond, gewapend en wel. Niemand die wist wie verantwoordelijk was voor de openbare orde in de hoofdstad.

Maandag 7 mei was een stralende lentedag. Zouden de bevrijders zich eindelijk laten zien vandaag? „Het gonsde door de stad: de Canadezen komen.” Zonneveld moest eigenlijk binnen blijven van zijn moeder, maar daar had hij natuurlijk geen zin in. „Ik glipte het huis uit. Op de Dam stond een enorme mensenmassa. Ik was klein van stuk dus ik wurmde me tot vooraan in de menigte. Daar heb ik een paar uur gestaan.”

Aanvankelijk was het een vrolijke boel op de Dam. De honderden mensen die zich er hadden verzameld, twijfelden er niet aan dat de Canadezen elk moment konden arriveren. Het Parool had hun komst een dag eerder aangekondigd: ze zouden bij het Amstelstation de stad binnenkomen en dan koers zetten richting de Dam. De mensen dansten, zwaaiden met vlaggen en zongen het Wilhelmus. Voor het Koninklijk Paleis was alvast een muziektent neergezet, en een houten feesttribune. Een eindje verderop, voor de Bijenkorf, stond Het Snotneusje, een bekend draaiorgel uit de Jordaan, vrolijk deuntjes te spelen.

Niemand die acht sloeg op het groepje mannen van de Duitse Kriegsmarine. Ze stonden op het balkon van de Groote Club, op de hoek van de Dam en de Kalverstraat – een deftige herensociëteit die in het derde oorlogsjaar gevorderd was als logeerplek voor officieren. Er was ook geen reden om de Duitse militairen in de smiezen te houden: ze stonden ontspannen naar de menigte te kijken.

Engelse infanterie en Waffen SS

Het publiek wachtte en wachtte. Er arriveerden wel bevrijders, maar dat bleken slechts verkenners van de Engelse infanterie – en ze waren maar met een handjevol. Terwijl ze over de Dam reden, kwamen uit de andere richting twee vrachtwagens met gewapende Duitsers van de Grüne Polizei en de Waffen SS. Een foto laat zien hoe beide patrouilles slechts door een handjevol burgers gescheiden werden – maar er volgde geen escalatie.

In de loop van de dag werd de stemming op de Dam grimmig en onheilszwanger. Er waren incidentjes en opstootjes, zoals het kaalknippen en rondtronen van een groepje ‘moffenhoeren’. De militairen van de Kriegsmarine die buiten de Groote Club op straat stonden, werden door de feestvierders gepest en geprovoceerd. In de omgeving van de Dam ontwapenden BS’ers die ochtend Duitse militairen en zetten ze gevangen. Daarbij werd regelmatig geschoten.

En toen, omstreeks drie uur, was er achter het Koninklijk Paleis een opstootje met twee Duitse militairen die zich weigerden over te geven. Een van hen werd dodelijk getroffen. Kort daarna begonnen de Duitse marinemannen vanuit de Groote Club te schieten in de richting van de Dam.

Later, zegt Ad Zonneveld, is er een beeld ontstaan alsof die Duitse militairen vanuit het niets op de menigte zijn gaan schieten. Maar in zijn herinnering was er een duidelijke aanleiding: het provocatieve gedrag en geweld van het voormalige verzet. „Ze straalden uit: ‘wij zijn hier de baas’. Het voelde heel bedreigend.”

Het plotse geluid van de mitrailleurs op de Dam was oorverdovend, vertelt Zonneveld. „Ik had geen acht geslagen op die marinemensen daar in de Groote Club. Maar toen ze begonnen te schieten, zag ik ze staan op het balkon. Er stond ook een statief met een machinegeweer erop.”

Om hem heen ontstond gigantische paniek. Mensen begonnen te schreeuwen en te rennen. Ze zochten dekking in de straatjes rondom de Nieuwe Kerk. „Doordat het zo druk was, duwden ze tegen elkaar en vielen om. Toen ben ik over al die mensen heen geklommen die op de grond lagen.”

Zonneveld wist meteen waar hij naartoe moest: de deur van de kosterij van de Nieuwe Kerk. Die stond altijd open – dat wist hij. „Ik was vriendjes met het zoontje van de koster, al van jongs af aan. Die had een driewielertje waarmee ik als klein mannetje door de kerk mocht rijden.”

Terwijl de 11-jarige jongen over de omgevallen mensenmeute naar de kosterij klauterde, bleven de Duitse militairen schieten – niet alleen vanaf het balkon, maar ook vanaf de daken. BS’ers op de Dam schoten terug, er ontstond een hevig vuurgevecht. Mensen vielen neer, kermend. Anderen renden weg, gillend van doodsangst en over elkaar heen buitelend. Een man of twintig, zo is op een later beroemd geworden foto te zien, zocht dekking voor het vuur achter draaiorgel Het Snotneusje.

Alles was tegenstrijdig op de Dam, schreef Bianca Stigter in NRC

Lichamen per bakfiets afgevoerd

Zonneveld bereikte de deur van de kosterij, ongedeerd. Hij duwde op de deurklink: inderdaad open, godzijdank. Terwijl buiten het inferno doorging, belandde hij via de kosterij in de kerk. „Daar was ik veilig.”

Vanaf het moment dat hij de kerk bereikte, houdt Zonnevelds herinnering abrupt op. Van de uren na de schietpartij weet hij niets meer. „Ik zie nog een beeld voor me van een verpleegster die op een steen in de kerk een gewonde man aan het verzorgen was. Verder niets. Ik herinner me niet eens meer of mijn ouders nou boos en bezorgd waren toen ik weer thuis kwam.” Ja, toch nog één herinnering: hij had een kleine schaafwond op zijn kuit. „Misschien was ik geschampt door een kogel?”

Bijna twee uur duurde de schietpartij tussen de Duitsers en de BS. Toen het afgelopen was, lag de Dam bezaaid met hoeden, jassen, schoenen, fietsen en kinderwagens. En met tientallen lichamen, die later per bakfiets afgevoerd zouden worden. De trieste oogst van Zwarte Maandag: 32 burgerdoden, meer dan honderd gewonden. Het was voor Amsterdam de op één na dodelijkste dag van de bezetting – terwijl die bezetting inmiddels voorbij was.

Toch verdween het bloedbad van 7 mei 1945 snel naar de achtergrond. De volgende dag arriveerden de Canadezen en Engelsen eindelijk in Amsterdam. Ze werden door een grote, euforische mensenmassa onthaald. Het drie dagen durende machtsvacuüm in de hoofdstad was voorbij. En toen brak de wederopbouw aan – een tijd waarin niemand graag herinnerd wilde worden aan de nare oorlogsjaren.

Er is nooit een officieel onderzoek gehouden naar de schietpartij op de Dam, waardoor de werkelijke toedracht altijd onduidelijk is gebleven. Pas vele decennia later achterhaalden nabestaanden de namen van alle slachtoffers. In 2016 werd in het plaveisel van de Dam een gedenkteken geplaatst met de 32 namen – in het bijzijn van Het Snotneusje, dat speciaal voor die gelegenheid uit het Amsterdam Museum was gehaald.

Voor Ad Zonneveld ging het leven na 7 mei 1945 gewoon verder. In de herfst mocht hij naar de hbs op het Ignatiuscollege, ondanks de gemiste zesde klas van de lagere school. Hij werd aspirant-journalist bij het katholieke dagbad De Tijd en werkte daarna jarenlang voor de KRO. Hij trouwde en kreeg vier kinderen.

Damschreeuwer

Tot op hoge leeftijd ging hij ieder jaar naar de nationale Dodenherdenking op 4 mei. Hij liep mee in de traditionele optocht vanaf het Ravensbrück-monument op het Museumplein naar de Dam, waar hij in een speciaal vak stond. Het was zijn manier om de gebeurtenissen waar hij als elfjarige getuige van was, een plaats te geven.

Tot die ene Dodenherdenking van 2010, die ruw verstoord werd door de Damschreeuwer. „Weer zag ik paniek om me heen. Wéér mensen op de Dam die wegrenden en over elkaar struikelden. In het gedrang heb ik nog bijna een kind omver gelopen.”

Eventjes was het weer 7 mei 1945. „Daarna ben ik nooit meer naar de Dodenherdenking gegaan.”

Voor dit verhaal is gebruik gemaakt van verschillende boeken en artikelen over 7 mei 1945, waaronder Vrolijke, zwarte maandag (2014) van Auke Kok.