Reportage

Brabant wordt weer van de boeren

Provinciale Staten Even leek het erop dat de boer het in Brabant af zou leggen tegen de oprukkende stedeling. Maar door stikstof, boze boeren en FVD staat alles weer op scherp. Deze week moet een rechts provinciaal college met CDA en FVD een einde maken aan de impasse over de stikstofcrisis. De boeren zijn terug.

Ivo van Wijk, geboren Hagenees en bewoner van Nijnsel, protesteerde tegen de komst van een megastal in zijn dorp. „Er is ergens een grens van wat je kan absorberen, in je neusgaten, in je systeem.”
Ivo van Wijk, geboren Hagenees en bewoner van Nijnsel, protesteerde tegen de komst van een megastal in zijn dorp. „Er is ergens een grens van wat je kan absorberen, in je neusgaten, in je systeem.” Foto’s Merlin Daleman

De varkens zijn verdwenen en niemand in Noord-Brabant weet wie de schuldige is. ‘Zeug met biggen’ heet het kunstwerk dat recht voor het Provinciehuis in Den Bosch staat: een bronzen zeug op een sokkel, met elf biggen aan de tepels.

Maar eind september, net toen op het provinciehuis de boerenprotesten tegen het stikstofbeleid hun hoogtepunt naderden, werden drie van de biggetjes in het holst van de nacht door onbekenden ontvreemd. Spoorloos verdwenen.

Kwamen de daders uit de hoek van het dierenactivisme en de milieubeweging, uit op een statement tegen de varkenshouders die het beeld veertig jaar geleden doneerden om hun bloeiende business te vieren? Of waren het de boeren zelf, die hun gift besloten terug te eisen nu de rest van de provincie steeds vaker lijnrecht tegenover de landbouw staat?

Een veeg teken: op een van de acht overgebleven biggen glanst een blauw-gele sticker van Farmers Defence Force, de luidste spreekbuis van het boerenfront.

Het knettert tussen de Brabantse boeren en burgers. Ooit was dat anders: de boer wás Brabant. Decennialang dreef het Noord-Brabantse bestuur op de machtsbasis van het CDA, en daarvoor de KVP, en zat het boerenbelang vooraan aan de onderhandelingstafel. Maar de liefde is bekoeld. Noord-Brabant – en het CDA – raakte verdeeld.

Eind vorig jaar barstte de bom: het CDA liet het college klappen om de boeren te redden. Sindsdien gaat het op het provinciehuis „op zijn Snollebollekes”, zoals een varkensboer in Nijnsel het zegt. „Van links, naar rechts.”

Lees hier hoe het CDA koos voor samenwerking met VVD, Lokaal Brabant en FVD

Het resultaat van die ommezwaai presenteren CDA, VVD, Lokaal Brabant én Forum voor Democratie (FVD) deze week: een rechts college dat een einde moet maken aan de impasse over het landbouwbeleid.

Een provinciale ledenraadpleging liet een verdeeld CDA zien: 56 procent was voor, 44 procent was tegen een college met FVD. Het bestuursakkoord wordt pas donderdag openbaar, maar heel Brabant weet: dat wordt een opsteker voor de agrariërs. De boer is weer van Brabant – en Brabant van de boeren.

Daarmee is de strijd niet gestreden. Verre van. Het is eigenaardig, zegt Gerard Rooijakkers, cultuurhistoricus en Brabantkenner. Economisch en electoraal zijn de boeren al lang niet meer dominant. Economisch heeft de landbouw gezelschap van twee universiteiten, Brainport Eindhoven, de distributiecentra, de zware industrie in Moerdijk. En de steden blijven maar doorgroeien, en daar stemmen ze GroenLinks, D66, FVD of VVD – niet CDA. En toch. In het bestuur, ziet Rooijakkers, blijven ze de baas. „De boeren gaan zich nu helemaal onoverwinnelijk voelen in Brabant.”

Hoe zijn de boeren de baas gebleven?

Alles moest efficiënter

Veghel, hart van het Brabantse boerenland. In het midden van het oude marktdorp staat een joekel van een kerk. Buiten het centrum liggen de havenkades, waaromheen in de vorige eeuw de industriële kathedralen van de voedselreuzen verrezen: Mars, FrieslandCampina, de mengvoederfabrieken van Victoria, De Heus en Agrifirm. Pas voorbij de voersilo’s en de fabrieken, aan de andere kant van de A50, liggen de boerderijen waarmee de weelde ooit begon.

Daar was de vader van Ad van de Crommert al boer, net als Ad nu. Het is een namiddag in het voorjaar, de aardappelen staan al op het vuur. Ad is raadslid in Veghel, CDA’er, maar boven alles is hij boer. Maar er is wel wat veranderd de afgelopen jaren. Zijn vader had 35 koeien. Ad heeft er met zijn broer 140, zijn hele bedrijf is gemechaniseerd. „Wat toen een grote tractor was”, zegt hij, „daarmee kun je nu het land niet meer op.”

Toen tegelijk de bevolking groeide én de boeren gingen uitbreiden, ging het schuren in Brabant

Noord-Brabant hield van zijn boeren, zegt cultuurhistoricus Rooijakkers. En die liefde ging diep. „Toen Den Bosch omstreeks 1920 kon kiezen tussen een universiteit en de veemarkthallen, ging de voorkeur uit naar de veemarkt. Dat paste bij het imago van de provincie: Brabant is platteland en als het goed gaat met de boeren, dan gaat het goed met Brabant.”

In de jaren dat Ad van de Crommert opgroeide, nam de landbouw een vlucht. Groter materieel, grotere stallen, kunstmest en andere groeimiddeltjes. „Als je op je land niet met 500 kilo stikstof strooide”, zegt Ad, „dan was je een flutboer, haalde je onvoldoende rendement.”

Alles moest efficiënter. Terwijl het aantal boerenbedrijven sterk terugliep – van 45.000 in de jaren vijftig naar krap 9.500 nu – kregen de boeren die bleven steeds meer dieren onder hun hoede en groeiden hun winsten. Opgeteld zijn de Brabantse boeren vandaag eigenaar van zo’n 6 miljoen varkens, 600.000 runderen, 175.000 geiten en ruim 25 miljoen kippen. En dat was niet de enige groeistuip: in dezelfde tijd verdubbelde de burgerbevolking.

Je kon wel uittekenen dat dát zou gaan schuren, zegt Henk van Roosmalen, oud-wethouder voor het CDA in Sint-Michielsgestel – en ook een boerenzoon. Als jonkie fietste hij trots in zijn overall en op klompen door het dorp. „Maar het bedrijf van mijn vader was te klein om te blijven groeien”, zegt hij, en zo waren er meer. „In mijn dorp had je vroeger twintig boeren, nu zijn er twee over.”

Zo maakte de vreedzame coëxistentie plaats voor de uitbreidende boer en de oprukkende stedeling, ieder met een eigen belang. Als de boer uitbreidt, neemt de overlast voor de burger toe. En als diezelfde burger naar het platteland komt om lekker rustig in het buitengebied te wonen of te recreëren, weet de boer al: die gaat zeuren over de stank. In Sint-Michielsgestel weten ze er alles van.

Wat je dan nodig hebt, zegt Van Roosmalen, is iemand die alle partijen begrijpt. Die de wens van de buren naast het economisch belang van de boer kan leggen en een compromis vindt. Zo deed hij het zelf ook, toen hij in 2009 wethouder werd. Nooit via de voordeur naar binnen, altijd achterom gaan. Koffie drinken. „En dan vragen: wat heb je nodig?”

Taaie gesprekken, elke keer weer. „Die burger wil lekker in de buitenlucht wonen. Als ieder weekend de gier wordt uitgereden terwijl je om de hoek woont, dan begrijp ik dat het voor overlast zorgt.”

Moeilijk, dacht Van Roosmalen toen nog, maar niet onverenigbaar. Dat veranderde pas in 2012, toen hij zwetend en trillend, met een loeiend lichaam, wegzakte in een coma aan de Spaanse Costa. Het bleek „die verrekte Q-koorts”, de veeziekte die hem als wethouder al had gedwongen een aantal geitenhouderijen te ruimen. Opgelopen, denkt hij zelf, op het land van zijn vader, waar een geitenhouder jarenlang zijn mest verbouwde. Hij moest stoppen als wethouder, nog steeds is hij soms onverwachts doodmoe.

Henk van Roosmalen, oud-wethouder voor het CDA in Sint-Michielsgestel: „De boeren hebben de wethouders bij de ballen.”

Vanaf 2007 groeiden de geitenhouderijen van Oost-Brabant, in het hart van het gebied dat deze weken het hardst wordt getroffen door het coronavirus, uit tot de brandhaard van de grootste Q-koortsuitbraak ter wereld. Duizenden Noord-Brabanders raakten besmet. Het dodental – minstens 95 – blijft oplopen.

Tussen de boeren en burgers is het niet meer goedgekomen, zegt Henk van Roosmalen. „Vanaf dat moment liep je met een grote boog om boerenerven heen. Ik ken boeren die geliefd waren in hun dorp. Na de Q-koorts werden ze niet meer uitgenodigd op feestjes en verjaardagen, ze waren nergens meer welkom.”

De Q-koorts zette de verhouding tussen boeren en burgers op scherp, zegt cultuurhistoricus Rooijakkers. „Burgers in Brabant hebben lang gedacht: goed, het stinkt, maar boeren horen erbij. Na de Q-koorts zei men: landbouwbelang boven volksgezondheid stellen, dat gaat te ver.”

Dat niet alleen, ook in de agrarische sector was ondertussen iets aan het kantelen. Zelfs de gestaag uitbreidende boer kwam de laatste jaren klem te zitten tussen de oprukkende stedeling aan de ene kant en de belangen van de megastalhouders en de voedselgiganten aan de andere kant – de veevoeders, de zuivelreuzen, de slachterijen.

„Het familiebedrijf had niet de toekomst, de megastallen wel”, zegt Rooijakkers. „En daar is het misgelopen.”

Een signaal aan de hele provincie

Andere belangen, andere verhoudingen. Ivo van Wijk uit Nijnsel heeft persoonlijk gemerkt wat dat mogelijk maakte, vertelt hij aan zijn eettafel. Hij vreesde eerst dat hij – import uit de Randstad, een bijna uitgewist Haags accent – alleen zou staan toen de gemeente een paar jaar geleden de komst van een nieuwe megastal aankondigde: achttienduizend varkens, pal voor zijn huis. Dacht het niet, dacht Ivo. „Er is ergens een grens van wat je kan absorberen, in je neusgaten en in je systeem.”

Pas op een informatieavond merkte Ivo tot zijn verbazing dat ook de boeren uit de buurt niets in die plannen zagen. Want door nóg een extra XL-stal, zegt varkenshouder Friso van Zutphen een paar percelen verder, zouden bestaande boeren als hij hun draagvlak verliezen. Het gaat om schaal – en om gemeenschapszin.

Kijk, merkt Friso op, zijn eigen bedrijf heeft hij van zijn vader overgenomen en beetje bij beetje uitgebreid. „De boeren die hier al zitten, hebben een band met het gebied. Zo’n boer met een megastal maakt het niet uit, die wil gewoon ergens zijn varkens wegzetten.” Op het CDA, dat de megastal enthousiast steunde, stemt hij niet meer.

Burgers dachten lang: het stinkt, maar boeren horen erbij. Tot de Q-koorts kwam

De megastal in Nijnsel kwam er niet. Actievoerder Van Wijk en varkensboer Van Zutphen kregen hun zin, met steun van bijna het hele dorp. Het leek een signaal aan de hele provincie: de boer had het niet langer voor het zeggen.

Alles wees erop dat dit sentiment vorm kreeg in het provinciale beleid. Al in 2015 stelde het college van gedeputeerden – zónder CDA, een unicum – nieuwe eisen op voor de landbouw. Boeren werden verplicht hun stallen vol te hangen met luchtwassers om de stikstofuitstoot te verlagen. Toen de uitstoot niet snel genoeg daalde, kregen de boeren geen respijt maar vervroegde het college de deadline. En zelfs nadat het CDA vorig jaar na de verkiezingen terugkeerde in het college, bleven die afspraken staan.

Maar dat was buiten de boeren gerekend. Al die eisen om hun stallen emissiearm te maken, was dat geen verkapte poging om hun bedrijven op kosten te jagen en zo de boer uit Brabant te verjagen? Al die opgekropte boerenboosheid kwam in het najaar tot uitbarsting. Kleine en grote boeren begroeven hun onderlinge verschillen en trokken samen naar het provinciehuis.

Of de politiek daar niets mee deed? Toch wel. Forum voor Democratie, net binnengestormd in de Provinciale Staten met meer zetels dan het CDA, wierp zich direct op als de nieuwe hoeder van het boerenbelang. „Er is geen stikstofcrisis”, hield fractieleider Eric de Bie de andere Statenleden in december voor. „Er is sprake van collectieve waanzin.” Hij riep het CDA op het Brabantse stikstofbeleid én het eigen college weg te stemmen.

De partij is niet heilig, de boer wel

Het CDA luisterde, twijfelde, verscheurde zichzelf en trok toen alsnog zijn steun aan de coalitie in. Er was „geen doorbraak” gekomen die genoeg deed voor de boeren, concludeerde Ankie de Hoon, de CDA-fractieleider in dezelfde vergadering. En zo staat er, een half jaar na de stikstofcrisis en de biggenroof, een nieuw college klaar dat burger- en milieubewegingen al bij voorbaat argwaan inboezemt.

„We hebben heel veel te lang alles laten groeien, een factor weet-ik-hoeveel te groot”, zegt Henk van Roosmalen. Na de Q-koorts is hij anders gaan denken, zegt hij, en nu vindt hij: de landbouw in zijn provincie moet drastisch anders, en snel graag. Toch gebeurt dat niet, denkt hij. „Want de boeren hebben de wethouders in Brabant bij de ballen.”

Daar, op de gemeentehuizen en bestuursposten waar het CDA nog altijd domineert, ligt de sleutel. Er zijn CDA’ers die achter de schermen zeggen: die boze boer, die stemt toch al FVD of VVD.

Maar aan de andere kant staan CDA’ers als Ad van de Crommert. En als het er voor hem op aankomt, zegt Ad in zijn keuken, is de partij „niet heilig”. Het boerenbelang is dat wel.

Hij heeft laatst een aanbod gekregen om zonnepanelen op zijn land te zetten, het zou hem drie keer zo veel opleveren als zijn inkomsten als boer. „Doe ik niet”, zegt Ad beslist. „De boeren zijn het fundament. Als de boeren verdwijnen, dan verdwijnt ook dat prachtige Brabantse land.”