Opinie

Solidariteit vanaf de minaret

Lotfi El Hamidi

De moskee heeft in Nederland op zijn zachtst gezegd een imagoprobleem. Afgezien van een wereldwijde kredietcrisis en aardbevingen in Groningen is er niets wat de huizenprijzen sneller doet kelderen dan een moskee in aanbouw. Er is, niet geheel ongegrond, angst voor geluidsoverlast, parkeerproblemen en hangjongeren. Daarnaast zou de moskee een plek zijn waar boze mannen met baarden kwade dingen bedenken en voorbereiden.

Hoewel sommige obscure moskeeën vanzelfsprekend de aandacht trekken blijkt een islamitisch gebedshuis toch vooral precies dat: een gebedshuis.

In Nederland, maar ook in het buitenland, zoek ik regelmatig de moskee op. Om te onthaasten, of het interieur te bewonderen. In het met kostbare tapijten, en soms ook met versleten matten belegde heiligdom, heerst er buiten de gebedstijden een serene rust. Ik geniet van de kleine moskee met de sobere inrichting en het eenvoudige houtsnijwerk, maar nog meer van het rijk gekalligrafeerde godshuis, met de geraffineerde arabesken op de muren waarvan de eindeloos herhaalbare patronen de oneindigheid van God moeten symboliseren.

Sinds twee maanden zitten vrome moskeegangers thuis, nadat de gebedshuizen noodgedwongen hun deuren hebben moeten sluiten vanwege de coronacrisis. Krijgt Wilders alsnog, zij het tijdelijk, zijn zin. Maar de notoire haatzaaier, die afgelopen Bevrijdingsdag het niet kon laten om op Twitter zijn ‘minder minder’ boodschap te herhalen, zal daar weinig van genieten. In Nederland en andere Europese landen mogen sommige moskeeën namelijk bij hoge uitzondering de gebedsoproep vanaf de minaretten versterkt laten klinken. Een solidariteitsactie, samen met kerken, om de gelovige burger een hart onder de riem te steken.

Dat leidde bij Wilders’ directe concurrent Baudet tot de nodige irritatie. De FVD-voorman kondigde met veel gevoel voor timing op 4 mei een wetsvoorstel aan waarin hij de gebedsoproep landelijk wil verbieden. Het heeft verder „niets te maken met godsdienstvrijheid”, zo legde hij uit in zijn ‘journaal’, en het past bovendien „niet in ons straatbeeld”.

Nou kun je een serieuze discussie voeren over de plaats van religie in de openbare ruimte, al is het deze beroepsprovocateurs daar natuurlijk niet om te doen. Of iets in het ‘straatbeeld’ past is een kwestie van smaak, maar grondrechten zijn niet gestoeld op esthetische waarden.

Het blijft angstaanjagend hoe normaal het is geworden om dergelijke onderscheid te (willen) maken tussen burgers. In het parlement is er inmiddels sprake van gewenning. „Niet apart zetten. Niet ‘normaal’ maken wat niet normaal is”, luidde de boodschap van de koning op 4 mei. Het zijn woorden die vanaf de minaretten hadden mogen klinken.

Lotfi El Hamidi (L.elHamidi@nrc.nl @Lotfi_Hamid) schrijft op deze plek een wisselcolumn met Tom-Jan Meeus.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.