Alweer bijna weg: de quarantainegroet

Ewoud Sanders

Woordhoek

Ik weet dat veel mensen coronamoe zijn, maar hier nog een korte observatie over de quarantainegroet. Op het hoogtepunt van de zelfopgelegde quarantaine, nu duidelijk voorbij, waren de straten uitgestorven. Als je toch een tegenligger tegenkwam, groette je. Je keek elkaar even in de ogen en knikte vriendelijk. Non-verbaal zei je hiermee: ik ben voor jou geen bedreiging. Ik ga niet spugen, ik houd me aan de voorgeschreven afstand, je kunt mij veilig passeren. Soms werd er ook werkelijk iets gezegd. Zoals „hallo” of „goedendag”. De onderliggende boodschap was hetzelfde: ik ben voor jou geen gevaar.

Ik heb die quarantainebegroetingen als prettig ervaren, als een verbetering van de bestaande situatie. Ik woon in het centrum van een kleine stad en normaal gesproken groeten vreemden elkaar hier zelden of nooit. Nu kwam het af en toe zelfs tot een praatje.

Afgelopen weekend ging ik door met het vriendelijk toeknikken van mij onbekende tegenliggers, maar met een bezettingsgraad van veertig procent lijkt het moment voorbij. Een paar maal kreeg ik een blik terug waarin je iets heel anders kon lezen, namelijk: „Hoezo groet jij mij? Kennen wij elkaar of zo?” Dan wel: „Moet je iets van me?”

Knijpkat. Grote maatschappelijke veranderingen leiden tot een stroom nieuwe woorden. Zo ontstonden er ook tijdens de Tweede Wereldoorlog honderden nieuwe woorden. Een bekend voorbeeld is knijpkat, een schertsende benaming voor een zaklantaarn zonder batterijen. De stroom komt uit een ingebouwde dynamo die je aandrijft door met de hand een hendel op en neer te bewegen. Dit leverde een zoemend geluid op, enigszins te vergelijken met een spinnende kat, vandaar de naam, hoewel ook de associatie met de uitdrukking de kat in het donker knijpen een rol zal hebben gespeeld.

Philips nam deze zaklamp, een uitvinding van ir. L.J. Kalff, in de eerste maanden na de bezetting in productie. Op schrift debuteerde het woord knijpkat op 20 oktober 1940. In een artikel in De Telegraaf van die dag (kop: ‘Philipsfabriek werkt door’) zegt iemand van de firma: „U kent wel de z.g. ‘knijpkat’, de zaklantaarn waarmede wij thans aan de markt gekomen zijn. […] Nu zult u misschien denken dat de fabricage van deze zaklantaarns voor een wereldbedrijf als het onze toch eigenlijk wel zeer onbelangrijk zal zijn, maar ik kan u mededeelen, dat voor de fabricage en de aflevering van deze ‘knijpkatten’ nu reeds 200 man dagelijks bezig zijn.”

Gallig. Vorige week gebruikte ik hier het woord gallig. Dat leidde tot verschillende reacties van lezers. Had ik niet gallisch bedoeld? Nee, het was geen vergissing, maar qua betekenis ontlopen die woorden elkaar nauwelijks. Gallig betekent onder meer ‘over alles ontevreden, brommerig, vitterig’; gallisch ‘erg slechtgehumeurd, korzelig’.

Wel hebben ze een andere herkomst. Gallig is afgeleid van gal, de levervloeistof die een grote rol speelt in onze spijsvertering. Omdat het heel bitter is komen we dit woord tegen in uitdrukkingen als je gal (uit)spuwen en je pen in gal dopen.

Gallisch is afgeleid van het Jiddische challes, dat ‘misselijk, onaangenaam’ betekent. Het gaat terug op een Hebreeuws woord dat ‘zwak’ betekent. We gebruiken gallisch meestal in de uitdrukking helemaal gallisch worden van iets voor ‘misselijk worden van woede over iets’.

Er is een fraaie, allitererende versterking, die ik u niet wil onthouden: ergens godgallisch van worden. Zoals steeds meer mensen van... nou ja.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.