Opinie

500 jaar geduld, dat lukt ons niet

Joyce Roodnat Door ‘Japan in honderd kleine stukjes’ van Paulien Cornelisse denkt Joyce Roodnat ineens weer aan Akira Kurosawa. Haar lievelingsfilm van Kurosawa, ‘High and Low’, had zo een dependance van dat boek kunnen zijn.

Joyce Roodnat

Eindelijk is er weer iets in het Stedelijk Museum te zien! In de ‘etalage’ aan de achterzijde, iets van Navid Nuur voor 75 jaar bevrijding. Blijf thuis? Even niet. Gauw op de fiets en ernaartoe. Maar… is dit het? Een stapel lege kranten met uitleg. „Intelligente eenvoud”, zegt het bordje ernaast. Pfff, zeg ik. Waarom hangen ze niet een Barnett Newman voor het raam? Of een Nola Hatterman? (Trouwens, ‘intelligent’ zeg je van een huisdier. Of van een oplossing. Verder is het een aai tussen de oortjes, een neerbuigend compliment).

Ik ga braaf terug naar huis en lees het boek van Paulien Cornelisse: Japan in honderd kleine stukjes. De recensie van dat boek in deze krant was overwoekerd door verkleinwoorden. Terwijl Cornelisse juist iets groots doet: ze verwoordt haar eigen met stomheid geslagen zijn. Haar boek is geen apies kijken, en zo ja, dan is ze zelf óók een apie. Dus als ze schrijft over Japanse boeddhabeelden die maar eens in de 500 jaar worden bekeken, dan observeert ze dat Nederland dat helemaal nooit zou kunnen, 500 jaar geduld oefenen. Allebei even verpletterend, wil ze maar zeggen.

Ze ontwart het web van het Japanse schrift (au fond tekeningetjes van begrippen), het Japanse taalgebruik (omzichtig) en de Japanse gedragscodes (opgekookt in de hogedrukpan van eeuwen isolement). Ik knal door haar boek – en zie de hele tijd filmflarden. Van Akira Kurosawa. Die man was zo goed. En hij is ook zo dood. Wordt hij vergeten? Mag niet. Ik moet iets doen.

En nu is de coronalockdown een voordeel, want er is tijd om achter elkaar de dvd’s uit die drie dikke Kurosawa-boxen te bekijken. En dan niet de samoeraifilms, hoe maf en mooi die ook zijn. Ik doe de groezelige films in het na-oorlogse Japan, die Drunken Angelheten, of The Bad Sleep Well. Ze gaan over onbehouwen mannen in pakken, gevangen in een web van westerse waarden en oosterse normen. Alles is Japans-esthetisch en alles is extreem-westers (de grootste vetkuiven hebben ze daar). En allemaal met Toshiro Mifune, Kurosawa’s favoriet en woest aantrekkelijk. Hij was voor Japan wat Mastroianni voor Italië was, Alain Delon voor Frankrijk, Clint Eastwood voor de VS.

Ik kijk opnieuw naar mijn lievelings-Kurosawa, High and Low. Die lijkt wel een dependance van Cornelisses boek, zo achteloos exact als hij verbeeldt hoe Japanners de dingen doen, met de hyper-emotionele, harde zakenman, zijn serviele chauffeur die steeds op zijn knieën valt, de politiemannen die ondanks de ernst van de situatie zitten te lachen. Via de doodstraf voor een ziedende kidnapper besluit de film met een hartverscheurend sneue blik van Mifunes zakenman. Hij deed het juiste, en zijn beloning is het niks. Door het boek van Paulien Cornelisse snap ik dat juist zulk niks tegelijk alles is.