Waarom Wilhelmina zweeg over de Joden

Toespraak Willem-Alexander Net na de oorlog was er niets dan lof voor de koningin. Pas in de decennia daarna zwol de kritiek aan: hoe kon het dat Wilhelmina vanuit Londen amper sprak over het lot van de Joden?

Koningin Wilhelmina spreekt tijdens de oorlog vanuit Londen via Radio Oranje tot het Nederlandse volk.
Koningin Wilhelmina spreekt tijdens de oorlog vanuit Londen via Radio Oranje tot het Nederlandse volk. Foto Spaarnestad

Het was misschien wel de opvallendste en in ieder geval de meest persoonlijke passage uit de toespraak die koning Willem-Alexander maandag hield op de Dam. Over het lot van de Nederlandse Joden zei hij onder meer: „Medemensen, medeburgers in nood, voelden zich in de steek gelaten, onvoldoende gehoord, onvoldoende gesteund, al was het maar met woorden. Ook vanuit Londen, ook door mijn overgrootmoeder, toch standvastig en fel in haar verzet. Het is iets dat me niet loslaat.”

Willem-Alexander refereerde aan de kritiek op koningin Wilhelmina die al langer klinkt als het gaat over haar houding ten opzichte van de Nederlandse Joden: deed zij wel genoeg om bijvoorbeeld in haar toespraken voor Radio Oranje het vreselijke lot van deze landgenoten onder de aandacht te brengen? Meteen na de oorlog was er niets dan lof voor het leiderschap van de koningin en ook in het standaardwerk Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog van Loe de Jong kwam Wilhelmina gunstig naar voren.

De afgelopen decennia klinkt echter steeds duidelijker een ander geluid. In de toespraak van de koning klonk bijvoorbeeld een echo door van de woorden die conservator Julie-Marthe Cohen tot hem sprak toen Willem-Alexander in 2018 de tentoonstelling Joden en het Huis van Oranje opende: „De Joodse Nederlanders werden door koningin Wilhelmina in de steek gelaten, hetgeen bij velen nog altijd een gevoelige snaar raakt.”

Vlucht van de koningin

De koning, opgeleid als historicus, zal bekend zijn met de maatschappelijke en wetenschappelijke discussie over Wilhelmina’s optreden in de oorlog. De felste bijdrage daaraan werd geleverd in 1997 door schrijfster Nanda van der Zee, in haar boek Om erger te voorkomen. Zij stelde dat de vlucht van de koningin naar Engeland in mei 1940 leidde tot „consequenties die met name haar joodse onderdanen noodlottig zijn geworden”.

Over Wilhelmina’s vermeende zwijgen tijdens de oorlog zei ze: „Men zou zich af kunnen vragen waarom deze zeer geïnformeerde koningin met al haar Duitse familieconnecties, die het radiomedium hoog aansloeg als middel om haar volk te bereiken, er niet alles aan heeft gedaan om haar volk via Radio Oranje in verband met de joden tegen de bezetter te waarschuwen, liefst week in week uit. Zij immers had de mogelijkheid daartoe.”

‘Zorg en verontwaardiging’

Op de conclusies van Van der Zee kwam naast bijval ook meteen felle kritiek, maar feit is dat Wilhelmina in haar ruim dertig radiotoespraken slechts drie keer refereerde aan het drama dat zich voltrok met de Nederlandse Joden, concludeerde communicatiewetenschapper Jord Schaap in 2007 in zijn boek Het recht om te waarschuwen: Over de Radio Oranje-toespraken van koningin Wilhelmina. Op 28 november 1941 richtte ze zich tot de Nederlandse Joden met onder meer deze woorden over het optreden van de Duitsers: „Met zorg en verontwaardiging vernam ik […] hoe zij geheel willekeurig de uwen medevoeren in gevangenschap en concentratiekampen.”

De volgende twee keer werd er krachtiger taal gebruikt. Op 17 oktober 1942 klonk het: „Ik deel van harte in uw verontwaardiging en smart over het lot onzer Joodsche landgenooten. En met mijn geheele volk voel ik de onmenschelijke behandeling, ja het stelselmatig uitroeien van deze landgenooten, die eeuwig met ons samen woonden in ons gezegend vaderland, als ons persoonlijk aangedaan.”

Nietsontziende vijand

Op 31 december 1943 zei Wilhelmina: „Steeds zenuwsloopender is de overheersching van den nietsontzienden vijand voor u geworden; steeds gruwelijker zijn methoden, waaraan velen uwer, en in het bijzonder onze Joodsche landgenooten, wier vernietiging helaas bijna een feit is geworden, ten offer zijn gevallen.”

De koningin gebruikte hier de woorden ‘uitroeien’ en ‘vernietiging’. Een opmerkelijke keuze, aldus Schaap, die de vraag oproept of de koningin op de hoogte was van wat zich afspeelde in de nazikampen in Polen.

Wilhelmina-biograaf Cees Fasseur dacht van niet. In zijn boek Wilhelmina. Sterker door strijd uit 2002 ging hij uitgebreid in op de houding van de koningin jegens haar Joodse onderdanen. Hij stelde dat zij tijdens de oorlog in geen enkele persoonlijke brief heeft laten blijken iets te weten van stelselmatige moord op de Joden. Met het woordgebruik in haar toespraken doelde zij „alleen op het elimineren van het joodse element uit de Nederlandse samenleving door middel van deportaties en niet op de massavernietiging in het oosten die zich daarna voltrok”.

Lees ook de NRC-recensie van Fasseurs Wilhelmina-biografie uit 2012: Vaandelvlucht van de droomkoningin

Had Wilhelmina wel geweten van het lot dat de Joden wachtte, dan was ze beter geïnformeerd „dan Churchill en andere geallieerde oorlogsleiders op dat moment”, aldus biograaf Fasseur. Het lijkt een beetje op de conclusie die historicus Bart van der Boom trok in 2012 in zijn boek ‘Wij weten niets van hun lot’. Gewone Nederlanders en de Holocaust: mensen realiseerden zich dat het niet goed afliep met de Joden in de Duitse kampen in Polen, maar hoe erg het precies was, wisten ze niet – en konden ze ook niet bevroeden.

Dat gold wellicht voor gewone Nederlanders – hoewel Anne Frank op 9 oktober 1942 in haar dagboek schreef: „De Engelse radio spreekt van vergassing, misschien is dat wel de vlugste sterfmethode” – maar vanaf eind 1942 was er zeker bij de geallieerde leiders steeds meer bekend over de Sjoah. Debatten om bijvoorbeeld de spoorlijn naar Auschwitz te bombarderen, liepen echter op niets uit.

Iederéén leed

Het onvermogen de Joden te zien als een groep die extra steun nodig had, komt nu vreemd over omdat mensen de Tweede Wereldoorlog anno 2020 veelal bezien door het perspectief van de Holocaust. Maar voor politici, militairen en burgers indertijd was dat slechts een klein onderdeel van een gevecht met een verschrikkelijke vijand waaronder iederéén leed.

Over de weinige woorden die Wilhelmina wijdde aan het lot van de Joden zegt Fasseur bijvoorbeeld: „Zij zag geen gradaties in lijden tussen jood en niet-jood, gaf althans daaraan geen uitdrukking. Maakte men wél zo’n onderscheid, dan zou dit afbreuk kunnen doen aan de onderlinge eensgezindheid.”

Dat perspectief is nu veranderd, gezien ook de excuses voor het optreden van de Nederlandse overheid die premier Mark Rutte (VVD) eerder dit jaar maakte aan de Joodse gemeenschap. Ja, velen hebben geleden onder het kwaad van Hitlers heerschappij, maar wat de Joden overkwam was uitzonderlijk erg. Dat feit heeft de koning met zijn woorden maandag onderstreept.