Verhalen hoe de oorlog is verdwenen

Unsere Mütter, unsere Väter toont hoe in oorlogstijd weinig zwart-wit is, terwijl de indrukwekkende NPO-documentaire Oorlogskinderen zulke morele vragen vermijdt.
Scène uit Unsere Mütter, unsere Väter.
Scène uit Unsere Mütter, unsere Väter. Beeld NPO

Toen de Hongerwinter Rotterdam bereikte vluchtte mijn opa met een broer naar het noorden. De IJsselbrug bij Deventer staken ze over dankzij een Duitse soldaat die hen verstopte achter in zijn legertruck en naar de overkant reed.

Ze hadden weggevoerd kunnen worden, maar mochten er aan de andere kant uit, liepen door tot ze bij een bakkerij in Emmen onderdak kregen en overleefden. Die dag in Deventer, vier jaar nadat hij Rotterdam had zien branden, bedacht mijn opa zich dat er blijkbaar ook goedheid in Duitsers kon zitten.

Dat de grens tussen goed en kwaad ingewikkelder te trekken is dan puur langs de lijnen van nationaliteit, bewijst de indrukwekkende Duitse driedelige serie Unsere Mütter, Unsere Väter (NPO3). De drie delen draaien om een Berlijnse vriendengroep tussen 1941 en 1945, onder wie een Joodse jongen die moet overleven, en twee broers die naar het Oostfront moeten. Gaandeweg verhardt de jongste broer Friedhelm; de oudere, geharnaste Wilhelm verzacht juist. Maar het zou te simpel zijn om te zeggen dat de goede de kwade wordt en de kwade de goede.

Precies door die gelaagde, morele complexiteit te tonen, gesymboliseerd door een vriendengroep die de oorlog niet kan overleven, onderscheidt de serie zich als een van de beste die over de oorlog is gemaakt. Het besef van goed en kwaad wordt steeds meer als een schilderij van de late Mondriaan: het is er nog wel, maar zonder vaste omlijning.

Jongens als Friedhelm en Wilhelm hadden de vader kunnen zijn van Marcel Kemp (76). Al dertig jaar zoekt hij naar zijn, vermoedelijk, Duitse vader. De documentaire Oorlogskinderen (WNL) vertelt zijn verhaal, en dat van drie andere kinderen van wie de moeder tegen het einde van de oorlog het bed deelde met een buitenlandse soldaat. Waar Unsere Mütter toont hoe in oorlogstijd weinig zwart-wit is, vermijdt deze documentaire zulke morele vragen.

Aan Kemp bijvoorbeeld wordt een belangrijke vraag niet gesteld: zou hij van zijn Duitse vader kunnen houden, wetende dat het een soldaat was? Wel verzucht Kemp voor een Joods monument dat hij wél leeft en anderhalf miljoen Joodse kinderen niet meer. „Iets goedmaken kan niet, maar wat kwaad en fout is, is ook altijd zo moeilijk.”

Het is pijnlijk dat de zoektocht via een dna-deskundige in Kemps geval (nog) niets oplevert, maar de pijn zit natuurlijk dieper. Oorlogskinderen toont knap vier door de oorlog ontstane en getekende levens, die nu het einde nadert het antwoord zoeken op de finale vraag wie hun vader was.

Sommigen kwamen er pas veel later achter dat de man die ze altijd voor vader aanzagen, niet hun verwekker was. Voor Trudy Habets was dat altijd al duidelijk: haar vader was een Afro-Amerikaanse soldaat, als lichtgetint kind met kroeshaar groeide ze op in het witte, naoorlogse Nederland. Maar wie hij was, kan ook deze zoektocht niet openbaren.

Lees ook het verhaal van Ans Huizing: ‘Ik ben Lynne. Ik ben je zus’

Beter zijn de uitkomsten voor Adri Goedegebuure en Ans Huizink. Vooral hun slotscènes zijn indrukwekkend. Huizink en de Canadese zus die ze net heeft ontmoet vegen de sneeuw van het graf van haar net ontdekte vader. Hand in hand kijken ze ernaar, gearmd lopen ze weg.

En in Frankrijk kijkt Adri Goedegebuure betraand naar het graf van zíjn vader, een Franse soldaat: „Nou pa, na 75 jaar sta ik hier dan, met gemengde gevoelens”. Ik denk aan Leo Vromans’ bekende gedicht Vrede: ‘Kom vanavond met verhalen/ hoe de oorlog is verdwenen/ en herhaal ze honderd malen/ alle malen zal ik wenen.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.