Analyse

Hier sprak ook de zoon van een vader die de oorlog nooit vergat

Toespraak koning Willem-Alexander De woorden van de koning passen in een patroon, in de tijdsgeest. Ze zijn terug te leiden naar ontmoetingen die hij de afgelopen jaren had en naar zijn vader, prins Claus.

Koning Willem-Alexander hield maandag een toespraak tijdens de Nationale Dodenherdenking op de Dam.
Koning Willem-Alexander hield maandag een toespraak tijdens de Nationale Dodenherdenking op de Dam. Foto Patrick van Emst/ANP

„De verschrikkingen waar een mens toe in staat is, alleen op basis van geloof of ras. Dat mag je nooit, op geen enkele manier, goedpraten.”

Het zijn de woorden van een vader, geparafraseerd door zijn zoon. Door koning Willem-Alexander. Niet maandagavond tijdens de Nationale Herdenking, maar drie jaar geleden in een interview ter gelegenheid van zijn vijftigste verjaardag. De koning vertelde hoe prins Claus tot zijn dood, ook al had hij niets met de Holocaust te maken, zich als Duitser medeverantwoordelijk voelde voor de verschrikkingen. Maandag zei de zoon hoe „nu, 75 jaar na onze bevrijding, de oorlog nog steeds in ons [zit].”

Lees ook over de Nationale Herdenking: Grootse herdenking werd soberste ooit

De woorden van de koning op de Dam in Amsterdam om „niet ‘normaal’ [te] maken wat niet normaal is”, komen dan ook niet uit de lucht vallen. In combinatie met de toespraak van schrijver Arnon Grunberg, die een half uur eerder een appèl deed op politici zich uit te spreken tegen het uitsluiten van mensen om wie zij zijn en „het woord géén gif te laten zijn” leek Willem-Alexander politieke uitspraken te doen.

Zijn woorden passen in een patroon en in een tijdgeest, zijn terug te leiden naar ontmoetingen die hij de afgelopen jaren had, en horen ook zeker bij een zoon wiens vader „altijd is bezig geweest met de Tweede Wereldoorlog”. Een vader die zijn drie zoons in 1995 buiten het zicht van de camera’s meenam naar het vernietigingskamp Auschwitz in Polen. Begin dit jaar bezocht de koning Auschwitz opnieuw, nu in het kader van de herdenking van de 75 jaar bevrijding, waarvoor hij de afgelopen maanden talloze bezoeken aflegde.

Bij de Nederlandse herdenking van de bevrijding van Auschwitz bood premier Rutte namens de Nederlandse regering excuses aan „voor het overheidshandelen van toen”. Staatshoofd en ministers waren tekortgeschoten als „hoeder van recht en veiligheid”, zei hij. „Het was alles bij elkaar te weinig. Te weinig bescherming. Te weinig hulp. Te weinig erkenning.”

De rol van Wilhelmina

Een echo daarvan waren de woorden maandagavond van de koning: „Medemensen, medeburgers in nood, voelden zich in de steek gelaten, onvoldoende gehoord, onvoldoende gesteund, al was het maar met woorden.”

Daaraan voegde hij een persoonlijke noot toe: „Ook vanuit Londen, ook door mijn overgrootmoeder, toch standvastig en fel in haar verzet. Het is iets dat me niet loslaat.”

Lees ook de column van Jutta Chorus: De koning in de pijnlijke waarheid

Ook die woorden, hoewel niet verwacht, zijn te verklaren. Twee jaar geleden, bij de opening van de tentoonstelling Joden en het Huis van Oranje in Amsterdam, werd hem verteld dat de Tweede Wereldoorlog een dieptepunt was in de relatie tussen Joodse Nederlanders en het koningshuis: „De Joodse Nederlanders werden door koningin Wilhelmina in de steek gelaten, hetgeen bij velen nog altijd een gevoelige snaar raakt.”

Begin dit jaar bezocht Willem-Alexander verzorgingstehuis Beth Juliana in Israël. Overlevenden van de Holocaust hadden ook daar gemengde gevoelens over zijn overgrootmoeder. Tegen NRC zei bewoonster Julia Izaks (88) eerder: „Mijn hele familie is in de oorlog vermoord en koningin Wilhelmina heeft het laten afweten.”

Na afloop van dat bezoek zei de koning: „In een tijd dat het antisemitisme begint op te kruipen en dat mensen beginnen te relativeren, moeten we iedere keer weer keihard zeggen ‘nee’ dit mag nooit, nooit meer gebeuren.”

En na een bezoek aan herdenkingscentrum Yad Vashem, zei hij: „Ik loop bijna 53 jaar op deze aardbol rond en vraag me iedere keer af hoe de mensheid tot zoiets verschrikkelijks in staat is geweest.”

Dat herhaalde hij maandagavond, toen hij vertelde over zijn ontmoeting zes jaar geleden met Jules Schelvis, overlevende van vernietigingskamp Sobibor. Schelvis had over de Holocaust gezegd: „Welk normaal mens had dit kunnen bedenken? Hoe kon de wereld toestaan dat wij, rechtschapen burgers van Nederland, als uitschot werden behandeld?”

De koning zei maandag: „Ik heb er geen antwoord op. Nog steeds niet.” Maar hij gaf wel een begin van een oplossing een nieuwe Holocaust te voorkomen: niet wegkijken en „onze vrije, democratische rechtsstaat koesteren en verdedigen.” En ook dat zei hij eerder, in zijn kersttoespraken waarin hij altijd pleit voor verdraagzaamheid.