Opinie

Echte mensen

Ellen Deckwitz

Gisteren keek ik met mijn zus en haar oudste (13) via Zoom naar een documentaire over oorlog door de eeuwen heen. Het was bedoeld als thuisgeschiedenisles, hoewel mijn neef dat niet echt nodig heeft, die ging als kind al liever naar het Archeon dan naar de Efteling. Na de docu leek hij wat bedremmeld.

„Heftig hè”, zei ik.

„Nou”, zei hij, „weet je wat opeens tot me doordrong? Dat het allemaal dus echt is gebeurd”.

„Ja, hallo, wat dacht jij dan?”, zei zijn moeder, „dat geschiedenis fantasy is?”

„Nee, maar dat het allemaal door echte mensen is beleefd, van de Tachtigjarige Oorlog tot Auschwitz. Dat er echte mensen zijn vervolgd en vermoord. Dóór echte mensen.”

Die pijnlijke bewustwording herkende ik, dat je de levens achter de tijdperken en jaartallen begint te zien. Ik was als kind dol op geschiedenis maar beschouwde het aanvankelijk ook als een verzameling spannende avonturen. Iets dat acteurs overkwam in een film, of Asterix en Obelix, niet mensen van vlees en bloed. Dat mannen en vrouwen elkaar al die gruwelen hadden aangedaan, was iets wat pas als tiener tot me doordrong, waardoor ik opeens heel anders keek naar de dagelijkse machtsstrijd op de middelbare school. Opeens zag je waar de ander toe in staat kan zijn.

Een tijdje geleden gaf ik les over de Tweede Wereldoorlog, toen een leerling me onderbrak.

„Waarom hebben we het hier nog over”, vroeg hij. „De mens is sinds 1945 zoveel beschaafder geworden.”

Ik wilde hem toebijten dat er een verschil is tussen gedrag en potentie, maar dat laatste woord moet je niet gebruiken in het bijzijn van pubers, dan liggen ze de rest van de les er helemaal af, dus ging ik er maar niet op in. Maar zijn opmerking knaagde. Ik ben het vaker tegengekomen, de overtuiging dat de moderne mens moreel superieur is aan zijn voorgeslacht en dus nooit dezelfde fouten zal maken. Mijn grootmoeder, zelf overlever van een reeks Japanse interneringskampen, kon zich enorm storen aan dat soort naïviteit.

„De mens is ongevaarlijk en best gezellig, tot hij honger krijgt”, zei ze altijd.

Later die avond belde mijn neef nog even. Hij was enorm van slag door zijn nieuwe inzicht.

„Weet je ik zo vreselijk vind”, zei hij, „dat al die ellende mij ook had kunnen overkomen, als ik op een andere plaats was geboren, of in een ander tijdperk. En dan schaam ik mij haast, dat ik zoveel geluk heb gehad.”

„Tot dusver dan he”, flapte ik eruit. Daar wist hij niets meer op te zeggen, en ik ook niet. Ik hoorde hem zacht en snel ademen in de hoorn. Vanuit zijn veilige kamer, vanuit deze veilige tijd.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.