Opinie

De koning en de schrijver

Frits Abrahams

De Dodenherdenking van 2020 zal vooral memorabel blijven door de indrukwekkende redevoeringen van koning Willem-Alexander en Arnon Grunberg. Dat Grunberg daartoe in staat was, verbaasde me niet, maar van de koning had ik het eerlijk gezegd minder verwacht.

De koning is geen groot redenaar, zijn lichaam staat zichtbaar onder te grote spanning als hij voorleest. Zonder het te willen laat hij duidelijk merken dat hij de tekst van een ander opleest, een tekst waar hij thuis voor de spiegel danig op heeft moeten oefenen. Er zat de laatste jaren wel enige verbetering in zijn dictie, maar het was nog steeds niet overtuigend genoeg, en soms struikelde hij nogal pijnlijk over juist de cruciale woorden, zoals bij zijn excuses voor het Nederlandse geweld in Indonesië.

Maar uitgerekend op die kille, lege Dam, waar het coronavirus in de meest letterlijke zin de dienst uitmaakte, steeg de koning boven zichzelf uit. Hij hield de rede van zijn leven. Elke zin was raak, zowel de toon als de inhoud. Het was alsof hij een tekst las die hij zelf geschreven had – en misschien was dat, op zijn minst ten dele, ook wel zo.

Vooral die zin over zijn overgrootmoeder zal hem lang hebben gekweld. Moest hij het nu wel of niet zeggen? Was het nodig om nóg langer te wachten op een nóg geschikter moment? Bestonden er wel geschikte momenten als je als vorst publiekelijk afstand wilde nemen van het gedrag van je overgrootmoeder? Hij keek zich nog eens goed aan in die spiegel thuis en hij knikte: het moest. Want het was iets geworden dat hem „niet loslaat”.

Grunberg had het in zekere zin gemakkelijker. Hij schrijft zelf zijn teksten en hij had over het onderwerp al veel gedacht, gelezen en geschreven. Maar onderschat het niet: er zijn al zoveel van dergelijke herdenkingsredes gehouden dat het moeilijk is om de uitgesleten paden te vermijden. Daarvoor moet je als schrijver van goeden huize komen.

Zijn rede was zo overtuigend omdat hij eerst het nut van herdenken ter discussie stelde („Herdenken wij omdat de traditie ons dat voorschrijft, of staat er meer op het spel?”) om vervolgens te demonstreren wát er precies op het spel staat: het bestaansrecht van culturele en etnische minderheden. Vandaar deze sleutelzin: „Voor mij was het van begin af aan duidelijk: als ze het over Marokkanen hebben, dan hebben ze het over mij.”

Grunberg hield Kamerleden en ministers voor „om het woord géén gif te laten zijn, om altijd voor ogen te houden dat de staat noodzakelijk is maar tevens een potentieel kwaad dat met achteloze vanzelfsprekendheid mensen, bevolkingsgroepen kan vermorzelen”.

Hier moest ik denken aan Franz Kafka die tegen Gustav Janouch zou hebben gezegd: „Wie scheldt beledigt de ziel. Het is een moordaanslag tegen de genade. Maar die begaat ook hij die de woorden niet juist afweegt. Want spreken is wikken en wegen. Het woord is een beslissing tussen dood en leven.” Woorden laten volgens Kafka „in de hersens vingerafdrukken achter die zich in een handomdraai in voetsporen van de geschiedenis veranderen”. Daarom zijn waarschuwing: „Je moet nauwkeurig op je woorden passen.”

Natuurlijk was er op de sociale media weer snel een groezelig-rechts trollentroepje op de been om Grunberg de maat te nemen, maar hij kreeg ook opmerkelijk veel bijval.